Selecteer een pagina
Voel jij je verantwoordelijk voor de kwaliteit van de toetsing binnen je opleiding?

Voel jij je verantwoordelijk voor de kwaliteit van de toetsing binnen je opleiding?

Het is al weer even geleden dat het HBO werd opgeschrikt door negatieve verhalen over de kwaliteit van hbo-diploma’s. Ook in het mbo zijn opleidingen onder verscherpt toezicht gezet in verband met de kwaliteit van de examinering en dreigden zelfs het recht op examinering te verliezen. Dit heeft ertoe geleid dat veel opleidingen de noodzaak voelen zelf aan de slag te gaan met het beoordelen van de kwaliteit van de toetsing en examinering. Wij worden als onderwijsadviesbureau regelmatig gevraagd om daarbij te helpen.
 
Het verantwoorden van de kwaliteit van de toetsing en examinering is een uitdaging voor elke opleiding. Formeel is het de taak van de examencommissie om de kwaliteit te verantwoorden. Maar zijn zij ook verantwoordelijk voor het realiseren van die kwaliteit? In de praktijk komt het erop neer dat dit de taak is van de docenten die de toetsen construeren, vaststellen en uitvoeren. Belangrijk is dus dat je als examencommissie kunt vertrouwen op de deskundigheid van de docenten.

 

Een voorbeeld uit de praktijk

Het management van een hbo opleiding heeft deze vraag letterlijk gesteld aan het docententeam: ‘Wie voelt zich daadwerkelijk toetsdeskundig en kan ons ervan verzekeren dat de kwaliteit van onze toetsing goed is? ‘Want’, zo redeneerden zij, ‘We denken dat we er goed voorstaan, maar weten we dat wel zeker?’

Toen van de 160 docenten slechts een handvol aangaven zich deskundig te voelen, was het voor het management duidelijk dat er geen helder beeld te geven was over hoe goed of slecht de opleiding het deed op het gebied van toetsing. Zij besloot een traject te starten om de kwaliteit van de toetsing zelf te onderzoeken en waar nodig te verbeteren. Dit traject moest ook meteen een toetstraining zijn voor alle docenten, in hun rol en verantwoordelijkheid voor toetsing, bijvoorbeeld als toetsconstructeur, toetsexpert, lid examencommissie of toetscoördinator.

Met de voorzitter van de examencommissie en een toetsexpert uit de opleiding hebben wij, als extern bureau, op basis van de vraag trainingen ontwikkeld (te vergelijken met de eisen die aan een BKE worden gesteld). In die trainingenreeks zijn docenten, in hun rol en verantwoordelijkheid, de toetskwaliteit van een toets of toetsprogramma gaan checken op de kwaliteitseisen validiteit, betrouwbaarheid, impact op het leren, transparantie en haalbaarheid/betaalbaarheid; deze check deden zij op basis van een praktijkonderzoek, waarin de volgende stappen terugkwamen:

  1. Schets de context / aanleiding voor het onderzoek (dilemma)
  2. Formuleer een probleemstelling.
  3. Methode: hoe ga je het aanpakken?
  • Specificatietabel toetsprogramma met verantwoording
  • Specificatietabel toets met verantwoording
  • Toets, beoordelingsformulier, instructie met verantwoording
  • Aanvullende analyses naar keuze (kwantitatief / kwalitatief)
  1. Resultaten
  2. Conclusie en aanbevelingen (een evaluatieplan voor de toets of de OWE = Kwaliteitscyclus)

 

Het beoogde resultaat was dat:

–      alle docenten betrokken bij toetsing zijn gecertificeerd als toetsdeskundige, tenminste op het niveau van hun betrokkenheid

–      Iedere onderwijseenheid een eigen specificatietabel heeft voor het toetsprogramma en

–      iedere toets heeft een specificatietabel inclusief beoordelingscriteria

 

Twee jaar verder,  wat zijn de opbrengsten?

We kunnen vaststellen dat het belangrijkste resultaat is dat alle docenten dezelfde taal spreken als het gaat om toetsing. Iedere docent kan in zijn rol en verantwoordelijkheid, onderbouwd met de kwaliteitscriteria, aangeven hoe de kwaliteit van het toetsprogramma of de toets is en wat er moet gebeuren om de kwaliteit te verbeteren.

Het traject heeft ook geresulteerd in een aanscherping van het toetsbeleid, een verbetering van de toetshandleiding, gemaakt op basis van toetsvragen van docenten.

Vragen van docenten hebben er ook weer voor gezorgd dat de toetsexperts in de opleiding zich moesten verdiepen in allerlei lastige kwesties om goed advies te kunnen geven over absolute of relatieve cesuur, aantal toetsvragen, het gebruik van verschillende beoordelingsschalen, trainingen gingen volgen in het uitzoeken van moeilijke kwesties.

En als laatste heeft de examencommissie een goed beeld gekregen van hun rol en een transparante en praktische tool ontworpen om steekproefsgewijs de kwaliteit van de toetsing te checken en aanbevelingen te doen aan de verantwoordelijken.

 

Conclusie

Iedereen binnen de opleiding is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de toetsing; toetsing is teamwerk, iedereen binnen zijn rol en verantwoordelijkheid!

Spreekt dit verhaal u aan, dan kunt u contact opnemen met Cilia de Jong tel: 06-23471908 of c.dejong@oabdekkers.nl
We adviseren graag bij het verbeteren van de kwaliteit van de toetsing en examinering binnen uw opleiding!

Moedertaal Moedertaal?

Moedertaal Moedertaal?

Een pleidooi voor onze mooie Brabantse taal! Pittige kost, daar hou ik wel van! Een brandend grapje op z’n tijd, oké. Wat snijdend cynisme, prima! Wat leuke taalgeintjes, altijd goed en ik maak ze zelf graag… Maar zo zout als het Europese parlement het ons voorschotelt, heb ik het nog nooit gegeten! En ik zal het ook nooit eten ook! Dat gezeur over ‘sekseneutrale’ taal moet nu maar eens afgelopen zijn.

Wat is er aan de hand? Bij toevalligheid kreeg ik een notitie onder ogen die in juni door het Europese parlement is besproken waarin gepleit wordt voor sekseneutrale taal en/of gelijkheid in man-vrouw woorden. In de notitie stond letterlijk “geen woorden mogen bestaan die suggereren dat één van de geslachten beter is dan de andere…”. Manwoorden moeten vervangbaar zijn door vrouwwoorden of op zijn minst geneutraliseerd worden. Deze zin werd ondersteund met twee voorbeelden: brandweerman moest ook brandweervrouw kunnen zijn en gastheren kan vervangen worden door gastpersonen. De notitie was, sorry vrouwen, opgesteld door een tiental vrouwelijke parlementsleden…

Aanvankelijk dacht ik een stuk van 30 jaar geleden onder ogen te hebben gekregen; in die tijd had ik een kennis die bij de Kindertelefoon werkte en stug bleef volhouden dat de telefoon niet werd ‘bemand’ door haar maar ‘bevrouwd’. Ik dacht aanvankelijk aan een grap. Wie zou dat niet doen? Maar nee hoor, het was allemaal bloedserieus bedoeld. En anders moesten we er maar eens de feministische literatuur op naslaan. Dan zouden we zien dat er ook gesproken wordt over ‘iemeid’ in plaats van ‘iemand’ (sic).

Maar helaas, de notitie die ik te lezen kreeg is van juni 2014 en wordt ondersteund door diverse feministische organisaties.

 

Nu heb ik niets tegen feminisme, laat dat duidelijk zijn, en ook niets tegen feministische literatuur (ik heb nota bene De Schillen van de Ui van Anja Meulenbelt in de kast staan, achterstevoren maar toch…). Maar als ik mijn tijd moet gaan steken in het mishandelen van taal, dan kan ik die tijd een stuk beter besteden. Ik wil best af en toe wat leuke onzin lezen, maar niet als die zo serieus wordt aangeraden.

 

Dat het onzin is om alle ‘manwoorden’ te vervrouwelijken of sekseneutraal te maken is gemakkelijk aantoonbaar en dat ga ik dan doen ook! Dat dat dan weer wat vreemd Nederlands oplevert is het gevolg. Wat dacht u van de volgende zin:

‘Vrouwiakaal vrouwgelde de vrouwager een vrouwdarijntje in de citruspers’ of ‘er vrouwkeerde niets aan de vrouwier waarop de vrouwifestatie verliep’. Oké, eentje nog: ‘de werkwijze van de vrouwicure vertoonde enkele vrouwkementen’

 

Ach er is zoveel meer onzinnigs te bedenken. Wie heeft er nou ooit gehoord van een ‘vrouwdoline’, een ‘vrouwequin’ of het wat meer pathetische ‘vrouwusje-van-alles’? En dan heb ik nog niet eens geprobeerd om woorden als ‘meid’, ‘dame’ of ‘wijf’ in te passen (ik zou zeggen; experimenteer daar zelf maar eens mee en kom op prachtige woorden als ‘damego’ of ‘wijfdarijntje’

.

Een wat minder radicale edoch even onzinnige oplossing die geboden wordt voor de sekseneutraliteit is gewoonweg alle woorden waar ‘man’ in staan te vervangen door ‘persoon’ of door eenvoudigweg de mantoevoeging weg te laten. Politieman wordt dan dus politiepersoon of simpelweg politie. Ik zal u niet opzadelen met een zelfde soort voorbeelden als hierboven, dat kunt u best zelf bedenken, maar in de praktijk komt het dan neer op zinnen als ‘de timmer liep met de voor even langs de groente…’

Oké, ik geef toe; leuk is het wel en je kunt er op een avond je tijd best mee vullen. Maar dat men ons zulke zaken serieus wil laten schrijven, vind ik toch wel heel erg. Waarom deze taalmishandeling? Taal is een handig middel om te communiceren en zelfs om idealen te verspreiden. Maar dan moet ze wel gebruikt worden op een manier die andere mensen (!) begrijpen.

 

Als het Europese parlement perse de ‘man’ woorden willen vermijden (sorry maar deze is met ‘lange ij’…) kunnen ze zich in Nederland beter bedienen van ons onvolprezen Brabantse dialect! Want in Brabant is er helemaal geen sprake van dat een ‘telefoondienst wordt bemand’… Bij ons in Brabant zit er gewoon ‘Iemes an de telefoon…’

Situationele didactiek: waarom verliest Sven de 10 kilometer?

Situationele didactiek: waarom verliest Sven de 10 kilometer?

Ik weet niet hoe het jou is vergaan, maar ik baal er nog steeds van dat Sven Kramer de 10 kilometer in Sotsji verloren heeft. Tuurlijk, tuurlijk, Jorrit Bergsma schaatst ook geweldig. Ik geef toe, ik heb blijkbaar meer behoefte aan voorspelbaarheid en structuur.

 

Na een paar dagen denken, kom ik tot de conclusie (voor wat hij waard is) dat Sven teveel van hetzelfde gedaan heeft in de voorbereiding. Hij merkte dat zijn lijf anders aanvoelde dan normaal en toch probeerde hij door meer van hetzelfde een oplossing te vinden. Standaardisatie als oplossing voor variatie. In mijn ogen gaat het hier mis. Variatie is alleen te hanteren door flexibiliteit en maatwerk te bieden. Het is in het onderwijs niet anders.

 

Ik hoor veel docenten die op zoek zijn naar mogelijkheden om te differentiëren in het onderwijs. De zogenaamde ‘goede’ studenten krijgen structureel te weinig aandacht en studenten met ‘lastig’ gedrag structureel te veel. Een hoog gemotiveerde hardwerkende student die de leerstof nog niet goed begrijpt, vraagt een andere didactische begeleiding dan een intelligente ongemotiveerde student. Maar zo heb je ook studenten die gemotiveerd en competent zijn of studenten die competent zijn maar (nog) niet gemotiveerd. Al deze variaties tref je in het onderwijs aan.

 

Variatie is te hanteren door flexibiliteit en maatwerk te bieden.Ik je mee in het model  van situationele didactiek, een model dat wellicht behulpzaam kan zijn bij het bieden van gedifferentieerd onderwijs. Hersey en Blanchard hebben het model van situationeel leiderschap ontwikkeld in het midden van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Op basis van dit model heb ik een poging gewaagd om studenten in te delen op basis van hun competentieniveau en het niveau van motivatie. De kenmerken van studenten heb ik beschreven op basis van de theorie van Vermunt (1992). In figuur 1 heb ik de kenmerken van de studenten in de verschillende kwadranten weergegeven.

figuur 1: Kenmerken van studenten

blog situationele didactiek

Het idee is dat eerstejaars studenten linksboven in het schema binnenkomen en er rechtsboven als ambassadeur van de opleiding weer uit gaan. Een groot deel van de studenten heeft echter gedurende de studie een motivatiedip (vaak zo’n beetje na de herfstvakantie in het tweede studiejaar). Studenten zijn uitgekeken op de school en hebben behoefte aan een nieuwe uitdaging. Door ze op stage te sturen gaan veel studenten van rechtsonder in het schema naar rechtsboven. Er zijn voor verschillende studenten ook verschillende doceerstijlen te hanteren. Deze stijlen zijn weergegeven in figuur 2.

figuur 2: Doceerstijlen

blog situationele didactiek 2

Dit model van situationele didactiek kan een hulpmiddel zijn om aan veel verschillende studenten goed onderwijs te bieden. Het is een poging om variatie in leerstijl en motivatie te begeleiden met maatwerk en flexibiliteit.

Had Sven Kramer nu toch maar beter naar zijn lijf geluisterd …….. En had zijn coach hierin iets kunnen betekenen?

Ik hoor heel graag wat je vindt van het idee van situationele didactiek. Laat een reactie achter of stuur me een mail (p.loonen@oabdekkers.nl).

Hoe past mijn onderwijs?

Hoe past mijn onderwijs?

Met de invoering van passend onderwijs wordt op 1 augustus 2014 de landelijke indicatiestelling voor leerlinggebonden financiering (lgf) afgeschaft. Mbo-instellingen zijn vanaf dan zelf verantwoordelijk voor het organiseren en vormgeven van hun eigen ondersteuningsaanbod. Ze stellen de extra ondersteuning en begeleiding van studenten met een beperking of chronische ziekte vast, organiseren deze en geven ze vorm. Ook is het de bedoeling dat de instellingen de extra begeleiding en ondersteuning verbreden tot alle studenten die een extra ondersteunings- of begeleidingsbehoefte hebben.

 

Om een passend ondersteuningsaanbod te realiseren, moeten de mbo-instellingen in veel gevallen de interne zorgstructuur opnieuw vormgeven. Daarvoor wordt de huidige financiering en middelen opnieuw verdeeld. Ook vraagt het om een andere manier van denken en werken. Centraal staat wat de student nodig heeft om succesvol zijn mbo-studie te volgen en met een diploma af te ronden. Het is belangrijk dat ze daarbij samenwerken met het voortgezet onderwijs, gemeenten, UWV-werkpleinen, (jeugd)hulpverleningsinstanties en werkgevers’ (Passend Onderwijs in het MBO, 2013).

 

Passend Onderwijs komt eraan! Voor sommige scholen een logische stap, voor veel andere scholen een enorme berg olifanten die de weg versperren. Passend Onderwijs wordt op de eerste plaats gezien als een verkapte bezuinigingsmaatregel om van het Speciaal Onderwijs af te komen maar is dit ook echt zo? Vanuit zeven jaar ervaring als directeur in het Voortgezet Speciaal Onderwijs Cluster 4 zou ik in deze blog graag een lans willen breken voor een andere kijk op ‘Hoe passend is ons onderwijs eigenlijk?’

Natuurlijk; speciaal onderwijs, en dan spreken we hier voor het gemak even over cluster 3 (leerproblemen) en cluster 4 (gedragsproblemen en autisme), is geen goedkope vorm van onderwijs. Kleine klassen, extra aanwezige deskundigheid als orthopedagogen en psychologen en aangepaste methodes en middelen kosten veel geld. Dat mag ook; het is immers nodig om ook deze kinderen te begeleiden naar een goede toekomst en hun talenten voor 100% te leren benutten. Voor de klassen staan experts die weten wat deze specifieke groep leerlingen nodig heeft en hun lesprogramma daar volledig op aanpassen. Het zijn ook experts die zorgdragen voor hun eigen professionalisering door bij te scholen en op de hoogte te blijven van ontwikkelingen op psychodiagnostiek en begeleiding.

 

Kortom, zou je zeggen, een perfecte school voor deze leerlingen met een rugzak! De praktijk is echter niet altijd zo rooskleurig: veel van de leerlingen (zo’n 30%) die ik in die 7 jaar heb mogen ontmoeten waren leerlingen waarvan we met al onze deskundigheid konden zeggen ‘die had niet op onze school moeten zitten maar op het reguliere onderwijs’. Vaak daaraan gekoppeld de zin ‘als deze jongen/meisje een beetje aandacht en begrip had gehad, had ze nu nog in het reguliere schoolsysteem gezeten’. Deze 30 procent leerlingen is niet gebaat bij het speciaal onderwijs; het zijn leerlingen die juist door het ‘speciale’ gestigmatiseerd worden en niet tot bloei kunnen komen omdat ze in een omgeving zitten die (ondanks al die extra’s) heftig en storend is. Veel van deze leerlingen komen ook met schrijnende voorbeelden van ervaringen op hun vorige (reguliere) school: Het gemis aan begrip, het altijd gewezen worden op je fouten en je beperkingen, tot het daadwerkelijk genegeerd worden als volwaardige leerling.

 

Passend Onderwijs is bedoeld voor die 30% ‘speciale’ leerlingen. Speciaal onderwijs blijft bestaan, gelukkig maar want dat heeft die 70% hard nodig. Dat zijn veelal ook leerlingen die inderdaad niet (per direct) naar het reguliere onderwijs kunnen omdat de hulp die zij nodig hebben te specifiek en te expert-afhankelijk is. Maar wat zou het mooi zijn als we die 30% de plaats in het reguliere onderwijs kunnen geven die zij verdienen én nodig hebben!

 

‘Makkelijk praten’, zeggen docenten regelmatig tegen mij, ‘maar ik ben geen expert!’ Maar, en daar zit mijn lans, je hoeft ook helemaal geen expert te zijn! Tenminste niet als individuele docent… Passend Onderwijs valt of staat met je onderwijsteam waarin de primaire modus zou moeten zijn ‘wij dragen zorg voor elke leerling hier’. Let daarbij uitdrukkelijk op het woordje ‘elke’: Je onderwijs moet niet alleen passend zijn voor die leerlingen ‘waar wat mee is’. Je onderwijs moet passend zijn voor elke leerling die zich aan jouw opleiding verbindt. Elke leerling zijn talenten laten ontwikkelen en vooral ook láten benutten. Gedifferentieerd lesgeven zodat je toe komt aan de individuele leerbehoefte van elke leerling. Maar vooral, en dat is het grootste cliché maar daardoor niet minder waar, begrip! Luister nou eens echt naar wat leerlingen zeggen, wat ze vinden en voelen en wat ze nodig hebben. Luister en vraag, om samen de optimale (leer)weg te vinden! Samen is in Passend Onderwijs het sleutelwoord; samen met de leerling maar vooral ook…samen met je team!

Lees meer:

Artikel:  ‘Hoe Rationeel Emotieve Therapie (RET) ondersteunend kan zijn bij Passend Onderwijs’.

Ondersteuning: Het RET Kwartet. Bekijk het filmpje:

Rust geeft onrust

Rust geeft onrust

Heb je het idee dat je alles uit de kast moet halen om je studenten te blijven boeien? Daalt de aandacht van je studenten ondanks alles toch gedurende de les of heb je het idee wanneer je aandacht even verslapt dat de onrust toeneemt? In deze blog geef ik je vijf tips om met minder energie van jezelf de aandacht van studenten vast te houden. Het resultaat is dat de studenten meer leren en dat jij minder vermoeid de les uit komt.

 
 

Hieronder leg ik in 4 minuten het model van neuropsycholoog Luria (1973) uit. Dit praktische model van Luria verklaart hoe je breinvriendelijk onderwijs kunt verzorgen door gebruik te maken van de unit van activatie (de hersenstam), de unit van waarneming (de achterste cortes) en de unit van actie (de voorste cortex).  De alertheid van studenten verhoogt door actie van ze te vragen.

Onderstaande tips om de alertheid van studenten te verhogen, kun je inzetten op het moment dat de onrust in je klas of collegezaal toeneemt. Rust geeft onrust. Je kunt er vanuit gaan dat wanneer je te weinig actie vraagt van studenten de onrust toeneemt en dat jij weer hard zult moeten werken om ze tot rust te brengen. Hieronder vijf mogelijkheden om  de alertheid van studenten te vergroten.

 

1)    Stel hoge eisen

De alertheid en betrokkenheid van studenten neemt toe wanneer zij op de tenen van hun competenties moeten lopen. Ook vanuit de sport is dit bekend. Een wedstrijd tegen de koploper geeft altijd extra energie bij de underdog. Sergei Bubka was beter geconcentreerd toen de lat op wereldrecordhoogte lag (6,14m) dan wanneer hij over 5,50 meter moest springen.

Dit geldt ook voor studenten. Studenten zijn gemotiveerder, meer geconcentreerd en beter bij de les wanneer de lesstof uitdagend is en een beroep doet op de zone van naaste ontwikkeling van hun kennis- of vaardigheidsniveau. Dit sluit aan bij mijn eerdere blog over veeleisend onderwijs.

 

2)    Stel vragen

Door het stellen van vragen aan studenten wordt een cognitieve actie van studenten gevraagd. Hierdoor neemt de alertheid van je studenten toe. Belangrijk is uiteraard om de vragen te laten aansluiten bij de doelstellingen van je les. Je kunt de betrokkenheid en de actie van studenten vergroten door ze aan het begin van de vragenronde allemaal te laten staan. Degene die het foute antwoord hebben gegeven gaan zitten. Een andere mogelijkheid is om korte snelle, vragen te stellen in willekeurige volgorde door de klas. Hierdoor is iedereen betrokken bij je les en zijn studenten alert of en wanneer zij aan de beurt komen.

 

3)    Maak er een voorstelling van

Ga op zoek naar muziek of nog beter laat studenten zoeken naar passende muziek bij het thema van de les. Wanneer de studenten een half uur hard hebben gewerkt, beloon je ze met vijf minuten bewegen of dansen op de muziek die ze zelf gekozen hebben. Het beste is een beetje opzwepende muziek met 180 beats per minuut. Laat het klaslokaal onder je maar even flink dreunen. Belangrijk is om vooraf de afspraak te maken dat het echt maar 5 (of minder) minuten duurt. Door de koppeling te maken tussen de muziek en het thema van de les heb je direct een bruggetje om je les weer op te pakken. Het is overigens erg motiverend om samen met je klas een leuk repertoire aan muziek op te bouwen.

 

4)    Gebruik toetsen

Door middel van online quizjes (bijv. via www.socrative.com) is het mogelijk om studenten direct te betrekken bij je les. Wanneer ze de antwoorden anoniem invullen, is het bovendien een veilige manier om te zien of je lesstof voldoende beheerst wordt.

Een andere manier van het gebruik van toetsen om de activiteit en alertheid van studenten te laten toenemen is door de klas te verdelen in twee groepen. Beide groepen maken een toets voor de andere helft over de lesstof van vandaag. De toets bestaat bijvoorbeeld uit 10 meerkeuzevragen. De groep die de toets van de andere helft het best maakt, krijgt van jou een zak muntdrop. Het voordeel van muntdrop is dat er flink gekauwd moet worden (unit van actie) waardoor de alertheid toeneemt. Na afloop van de toets zijn de studenten dan nog beter in staat om het vervolg van de les aandachtig te volgen.

 

5)    Geef het goede voorbeeld en maak fouten

Deze laatste is wellicht een beetje flauw maar toch heel relevant. Zelf het goede voorbeeld geven door energiek en alert les te geven, helpt je studenten om je les beter te volgen. Een docent die voor de klas zit en opdrachten voorleest uit een boek werkt verslapping van de aandacht in de hand. Wanneer je zelf ook het lef hebt om fouten te maken, kan dat de betrokkenheid van studenten vergroten. Je geeft vooraf aan dat er in deze les vijf fouten zitten. Wie ze eruit haalt verdient een kop koffie of thee. Door studenten te wijzen op lesstof die komen gaat en dat ze moeten zoeken naar fouten maakt dat ze erg alert zijn. De beloning die je er tegenover zet, kan natuurlijk ook in de vorm van een compliment of in de vorm van bonuspunten.

 

Luria, A. R. (1973). The working brain: An introduction to neuropsychology. New York, NY: Basic Books.