Ik wil gewoon lekker lesgeven

Ik wil gewoon lekker lesgeven

3 brillen om naar je klas te kijken

“alleen kan je niks, je moet het samen doen” (Johan Cruijff)

Je les, in de opleiding bedrijfseconomie, staat op het punt van beginnen. De doelstelling van vandaag is om de studenten de verschillende manieren van een waardebepaling van een bedrijf aan te leren. Eén voor één druppelen de studenten binnen en nemen plaats in het lokaal. Een aantal studenten houdt zijn jas aan, de meeste pakken eerst hun telefoon en een paar groepjes zijn gezellig met elkaar in gesprek.

Je probeert de aandacht te trekken door te zeggen dat je graag wilt beginnen.

Langzaam maar zeker wordt het rustiger in het lokaal en net wanneer je wilt starten, komt een groepje laatkomers met een hoop kabaal binnen. Zij maken direct contact met medestudenten en het rumoer begint weer opnieuw.

Wanneer je uiteindelijk begonnen bent, zie je dat er veel studenten op hun telefoon blijven kijken. Je hebt niet het idee dat ze erg actief met de les bezig zijn.

Nadat je de concepten van waardebepaling hebt uitgelegd, geef je een opdracht waar de studenten in groepjes aan moeten werken. De studenten nemen de opdracht echter niet echt serieus. Ze kletsen over van alles maar niet over de opdracht. Na een paar minuten merk je dat de aandacht volledig verdwenen is. 

Je zucht een keer diep……hoe krijg je deze groep goed aan het werk?

Herkenbaar?

Je grootste wens is om lekker les te geven, je kennis over te dragen en je studenten verder te helpen. Je houdt je vakliteratuur bij en hebt jezelf geschoold in het toepassen van activerende werkvormen. Maar hoe doe je dat bij deze groep? Hoe krijg je die dynamiek toch naar standje gemotiveerd?

Veel docenten waar ik mee werk, worstelen met deze vragen. Ze zijn uit de beroepspraktijk in het beroepsonderwijs gestroomd en zijn ambitieus om hun kennis over te dragen op studenten. Ze zijn vakinhoudelijk sterk en rekenen erop dat studenten belangstelling hebben voor hun ervaringen.

Wanneer je de studenten individueel vraagt wat ze van de les vinden, zijn ze ook nog enthousiast over de inhoud. In de groep gedragen ze zich echter lang niet altijd constructief. En de docenten weten lang niet altijd hoe ze de groep positief moeten beïnvloeden. Terwijl het meeste onderwijs toch echt in groepen plaatsvindt.

Daarom reik ik jullie een drietal “brillen” aan waarmee je naar groepen kunt kijken. In een aantal blogs pas ik de brillen (perspectieven) toe op bovenstaande situatie.

Hoe kunnen we naar groepen kijken?

René Meijer en Lex Mulder (Meijer & Mulder, 2015) reiken drie invalshoeken aan om naar de groep studenten te kijken:

  • Individuele invalshoek waarin het gedrag wordt bepaald door persoonlijkheidskenmerken van de individuele student.
  • Interactionele invalshoek waarin het gedrag van de student wordt bepaald door actie-reactie tussen twee of meer studenten.
  • Groepsdynamische invalshoek waarin gedrag een uiting is van iets wat er in de groep speelt.

Om te analyseren wat er in de groep studenten speelt kunnen we met deze invalshoeken in ons achterhoofd een drietal vragen stellen:

  • Wat is hier aan de hand in de communicatie binnen de groep?
    De communicatie is hier een uiting van de oppervlaktestructuur. De oppervlaktestructuur is al de waarneembare interactie tussen de studenten. Het door de klas roepen bij binnenkomst, gezellig kletsen of praten over alles behalve de opdracht zijn uitingen in de oppervlaktestructuur.
  • Hoe zit deze bijeenkomst/ les formeel in elkaar?
    Deze vraag sluit aan bij de analyse van de harde structuur. In de harde structuur kijken we naar alles wat letterlijk en formeel vastligt, tastbaar en controleerbaar is. De begin- en eindtijd en de inrichting van het lokaal zijn hier voorbeelden van.
  • Wat is hier eigenlijk aan de hand?
    Deze vraag heeft betrekking op een analyse van de dieptestructuur in de groep. De dieptestructuur raakt aan alles wat onzichtbaar en onbewust plaats vindt in groepen. Het gaat hier om ongeschreven regels, verborgen patronen en impliciete verwachtingen.

Voordat we nu direct de interactie of groepsdynamische analyse inschieten is het zinvol om eerst naar de harde structuur te kijken. Het is niet voor niets dat Marzano (Marzano, Marzano, & Pickering, 2010) aangeeft dat regels en routines een belangrijke voorwaarde zijn voor goed klassenmanagement.

Mogelijke tips voor de docent in bovenstaande casus vanuit de harde structuur:

  • Maak heel heldere afspraken over de aanvang van de les. Laat bijvoorbeeld de eerste studenten een favoriete clip kiezen op YouTube of Spotify en spreek met ze af dat je begint zodra de clip is afgelopen. Dit markeert een duidelijk begin van de les en ze hebben ook nog zelf invloed. Het voordeel is dat jij je stem niet hoeft te verheffen om de les te beginnen. Het volume opendraaien kan dan altijd nog.
  • Geef bij het begin van de les een duidelijk tijdschema van de les. Wanneer is er instructie, wanneer een opdracht, wanneer pauze en wanneer is de les afgelopen.
  • Maak een afspraak voor het al dan niet gebruiken van de mobiele telefoon. Wanneer je geen telefoons in de les wilt hebben, geef dan een kort moment om de berichten te controleren.
  • Zorg dat je zelf regie hebt over de indeling/ opstelling van de klas. De vaste bus-opstelling is meestal niet de meest geschikte voor het doel van je les. Aarzel niet om de opstelling regelmatig te wijzigen.
  • Neem ook de regie op de samenstelling van de subgroepen. Jij bepaalt wie met wie gaat samenwerken op basis van voorkennis, leervoorkeuren, willekeurige nummering. Wanneer je de studenten zelf groepen laat maken, ligt afleiding meer op de loer dan in nieuwe groepen. Geef wel duidelijk aan waarom je tot de groepindeling bent gekomen.
  • Geef concreet de doelstelling van de les aan door te delen wat de studenten aan het einde van de les kunnen of weten.
  • Maak heldere afspraken over de voorbereiding of verwerking die je verwacht.

Alle tips die hierboven staan zijn gericht op het geven van zoveel mogelijk duidelijkheid. Onduidelijkheid in de structuur van de lessen geeft mogelijk aanleiding tot onrust. Dit is natuurlijk niet het hele verhaal. In de komende blogs zal ik verder ingaan op de groepsdynamische en interactie invalshoek.

Tot die tijd ben ik nieuwsgierig naar jullie 3 grootste frustraties in het werken met groepen. Deel ze in het reactieveld hieronder of mail ze naar mij en ik zal proberen in een aantal kennisclips of webinars mijn ideeën over de frustraties met jullie te delen.

Peter Loonen

Peter Loonen

Auteur

peter@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Ik wil gewoon lekker lesgeven

  3 brillen om naar je klas te kijken “alleen kan je niks, je moet het samen doen” (Johan Cruijff) Je les, in de opleiding bedrijfseconomie, staat op het punt van beginnen. De doelstelling van vandaag is om de studenten de verschillende manieren van een...

Lees meer

Studieloopbaanbegeleiding moet beter!

  De belangrijkste 3 beelden, 5 fasen en 10 instrumenten voor de studieloopbaanbegeleider. Studenten zijn niet overwegend positief over studieloopbaanbegeleiding (ISO, 2015). En dat terwijl de studieloopbaanbegeleider de rode draad kan vormen in het leerproces en...

Lees meer

In de categorie handige lijstjes; een recept voor het formuleren van leerdoelen.

In de categorie handige lijstjes; een recept voor het formuleren van leerdoelen.

De laatste weken krijg ik regelmatig de vraag hoe je nu eigenlijk goede leerdoelen formuleert. Een hele relevante vraag, want vaak slaan we deze stap over. Herken je dat? Dat je voordat je begint aan een les of activiteit heel veel energie stopt in wat je wilt gaan doen en welke actieve werkvormen je allemaal gaat toepassen. Maar of je nu heel scherp voor ogen hebt wat precies de bedoeling is van die activiteit…? Wat het de student brengt in relatie tot zijn beroepsopleiding? Het doel heiligt het middel. Leerdoelen helpen jou én de student.

Leerdoelen: Waar hebben we het over?

Een leerdoel is het gedrag dat een student vertoont na het afronden van een leersituatie. Waar dat gedrag aan moet voldoen formuleer je in zogenaamde prestatie- of succescriteria[1].

Bij het ontwikkelen van onderwijs formuleer je leerdoelen meestal op 2 niveaus:

1. Leerdoelen die betrekking hebben op een wat langere periode of een grotere eenheid (een module, een project, een onderwijsperiode, een beroepssituatie). In dit leerdoel beschrijf je wat de student kan laten zien na het afronden van die leersituatie. Voor een beroepsopleiding heeft dit leerdoel altijd relatie met de beroepspraktijk en is afgeleid van de vastgestelde eindkwalificaties.

2. Leerdoelen voor de onderliggende onderwijsactiviteiten (een les, een dag, een activiteit). Voor het gemak noemen we dit lesdoelen. Wat kan een student na deze les/activiteit? Alle lesdoelen tezamen zorgen ervoor dat de student het overkoepelende leerdoel kan realiseren.

De samenhang en congruentie tussen leerdoelen en succescriteria, onderwijs en toetsen is belangrijk (= constructive alignment).         

Hoe schrijf je goede leerdoelen?

Een leerdoel bevat in elk geval de volgende 3 onderdelen:

1. Gedrag: wat moet de student dóen. Dit wordt altijd uitgedrukt door een werkwoord. Het werkwoord zegt iets over het niveau van complexiteit wat je beoogt te bereiken. Bruikbaar hierbij is de taxonomie van Bloom (zie verderop). Een leerdoel begin je altijd zo:

Je kunt + werkwoord. Bijvoorbeeld: Je kunt ontwerpen

2. Inhoud: waarover moet de student iets leren, op welke inhoud of context heeft dat gedrag betrekking? Dit heeft altijd een relatie met het beroep waarvoor de student opgeleid wordt.

Je kunt een kledingstuk ontwerpen of je kunt een recept bereiden

Het gedrag en de inhoud zegt iets over de toetsvorm van dit leerdoel. Het heeft immers geen zin om te beoordelen of een student een recept kan bereiden aan de hand van een theorietoets.

3. Condities of resultaat. Zijn er bepaalde voorwaarden of condities, voorschriften of minimale vereisten waaraan dat beoogde gedrag moet voldoen? Het is ook mogelijk om de condities te omschrijven als het resultaat van de beoogde handeling.

Je kunt een kledingstuk ontwerpen voor kinderen dat slijtvast en waterafneembaar is
Je kunt een recept bereiden volgens de richtlijnen van het voedingscentrum, of
Je kunt een recept bereiden dat past in het dieet van diabetici.

De condities of resultaatomschrijving geven je een indicatie voor de toetsopdrachten of beoordelingscriteria.

Verder nog de volgende tips:

  • Formuleer per onderwijseenheid niet teveel leerdoelen, 4 tot 5 is genoeg.
  • Formuleer zonder hiërarchie. Ofwel laat de leerdoelen niet afhankelijk van elkaar zijn.
  • Kies werkwoorden die precies aangeven wat je verwacht van de student. Formuleer ze zodanig dat duidelijk is om welk niveau uit de taxonomie het gaat. Stel je zelf de vraag: wat zie ik een student doen, of wat wil ik dat hij kan na deze onderwijseenheid? De taxonomie geeft je meteen een idee over welke toetsvorm passend is.

Succescriteria

Om het leerdoel te behalen moet de student aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden leg je vast in succescriteria. Hiermee maak je duidelijk wat er geleerd moet worden om het leerdoel te bereiken.

Tips bij het schrijven van succescriteria:

  • Formuleer wat een student minimaal moet bereiken, gegeven dit leerdoel, gegeven deze onderwijseenheid, om dit leerdoel te kunnen behalen. De succescriteria moeten van hetzelfde taxonomieniveau als het leerdoel, of lager. Het mag nooit hoger zijn.


    Bijvoorbeeld 
    Leerdoel: Je kunt een kledingstuk ontwerpen voor kinderen dat slijtvast en waterafneembaar is.

    Succescriteria:[2]
    – Je kunt uitleggen welke materialen slijtvaste en waterafneembare eigenschappen hebben.
    – Je weet aan welke maateisen kinderkleding moet voldoen.
    – Je kunt basale tekentechnieken toepassen zoals …
    – Je kunt een creatief ontwerp maken voor een kledingstuk voor een kind

  • De succescriteria geven input aan je onderwijsactiviteiten of lessen. En tegelijk ook aan je toetsopdrachten/beoordelingscriteria. Zorg er altijd wel voor dat het leerdoel als geheel ook terug komt in de toetsing!
  • Deel de succescriteria altijd met studenten. Maak ze daarvoor concreet haalbaar en inspirerend.

Waarom is dit belangrijk?

  • Leerdoelen en succescriteria geven voor jou als docent richting aan je onderwijs én aan de toetsing. Heb je je leerdoelen scherp, dan weet je wat je in je onderwijs moet aanbieden én geef je jezelf duidelijkheid om op het juiste niveau te toetsen.
  • Timmer je daarmee alles dicht? Juist niet! Door te formuleren wat er minimaal nodig is, kun jij in je onderwijs los gaan om ervoor te zorgen dat studenten zich de stof zo goed mogelijk eigen maken. Natuurlijk kun je in je onderwijs meer doen dan in de leerdoelen en succescriteria staat. Zo lang het helpend is voor het leerproces van de student en zolang duidelijk is wat de relatie is met het betreffende leerdoel. Daar komt jou professie als onderwijzer om de hoek kijken.
  • Het maakt het voor de student helder wat hij gaat leren en wanneer hij het dan kan. Het vormt zo hét middel voor de student om het leren te sturen. Door de leerdoelen te verbinden aan de relevante beroepspraktijk borg je ook dat de student focus en urgentie ervaart. Één van de bouwstenen voor onderwijs met impact.
  • Door het formuleren van leerdoelen is het ook mogelijk om de feedbackcyclus met de student te realiseren; het maakt het mogelijk om de student inzicht te geven in zijn ontwikkeling (feedback, waar sta ik nu) in relatie tot waar hij zich naar toe moet ontwikkelen (feedup). Door de student feedforward te geven krijgt hij inzicht in welke stappen hij nog moet zetten om het leerdoel te bereiken.

Helpt dit?

Of helemaal niet? Mocht je nog meer tips hebben, meer willen weten over taxonomieën of toetsvormen, of  heb je behoefte aan andere recepten voor onderwijsontwikkeling? Laat het mij weten via het reactieveld. Wie weet maken we samen wel een leuk receptenboek!

Hartelijke groet, Marion

 

[1] In onderwijsland en -literatuur is een woud aan terminologie gangbaar. Dit onderscheid is mijns inziens nu niet zo heel relevant. Het gaat erom dat je met elkaar een helder beeld hebt waar je het over hebt. Voor nu hou ik het graag simpel en hanteer de bovenstaande termen.

[2] Kleding-ontwerpers en vormgevers; vergeef mij als hier klinkklare nonsense staat. Het gaat om het voorbeeld.

 

Marion van Neerven

Marion van Neerven

Auteur

marion@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Ritueel

  Exact een jaar geleden deed ik het ook. Maar dit jaar bijna niet, vanwege tijdgebrek, vanwege allerlei dingen die toch belangrijker leken en misschien ook wel waren. Alles was in orde, er stond een gastblog klaar. Maar in het weekend overviel mij hetzelfde...

Lees meer

Bewegen om te leren

  Waar HIGH IMPACT TEACHING en yoga elkaar raken Ik ben Marion en ik werk alweer 5 jaar met veel plezier bij OAB Dekkers. Ik doe veel aan yoga en probeer ook op die manier te leven. Het leert mij te leven in balans, fysiek, mentaal en emotioneel. En...

Lees meer

Carnaval en de Golden Circle…

Carnaval en de Golden Circle…

De ‘What’, ‘Why’ en ‘How’ van Carnaval… Alaaf!

Emile Heerkens

Emile Heerkens

Auteur

emile@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Ik wil gewoon lekker lesgeven

  3 brillen om naar je klas te kijken “alleen kan je niks, je moet het samen doen” (Johan Cruijff) Je les, in de opleiding bedrijfseconomie, staat op het punt van beginnen. De doelstelling van vandaag is om de studenten de verschillende manieren van een...

Lees meer

Waarom waarom?

Waarom waarom?

Dit lijken haast poëtische woorden. In een kort filmpje legt Thijs uit waarom het delen met studenten van het lesdoel en de reden om de les te geven zo belangrijk zijn. Waarom zou je niet kijken?

Thijs Wesselink

Thijs Wesselink

Auteur

thijs@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Waarom waarom?

  Dit lijken haast poëtische woorden. In een kort filmpje legt Thijs uit waarom het delen met studenten van het lesdoel en de reden om de les te geven zo belangrijk zijn. Waarom zou je niet kijken?    ...

Lees meer

Wat kunnen we leren van de sport?

  Tijdens het HIT Event van afgelopen donderdag, ging razende reporter Thijs Wesselink op zoek naar de vraag: Wat kan het onderwijs leren van de sport? Hij ontmoette een aantal zeer inspirerende sprekers met verstand van onderwijs en van sport.   [vooplayer...

Lees meer

Activerend evalueren

  In deze vlog laat ik zien hoe je actief kan reflecteren. Beweging en actie is goed om de hersenen actief te houden. Aan het einde van deze vlog daag ik iedereen uit om in actie te komen. Hoe reflecteer jij met de klas?   [vooplayer type="video"...

Lees meer

Decision-driven data collection

Decision-driven data collection

In de maand januari heb ik met veel aandacht de drie blogs van Dominique Sluijsmans gelezen over formatief toetsen met de titel: Neem formatief niet te snel voor lief: Tien lessen van Dylan Wiliam. Een aanrader voor iedereen die zich bezighoudt met curriculumontwerp en de betekenis en plaats van de toetsing hierin.

Eén les wil ik er graag uitlichten namelijk: het type beslissing die je als docent wilt nemen bepaalt de dataverzameling en niet andersom.

We hangen in het onderwijs soms zware beslissingen aan toetsen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het bindend studieadvies (BSA). Op basis van een aantal summatieve toetsen, waarmee studenten de benodigde studiepunten kunnen behalen, nemen we een beslissing over de studievoortgang van de studenten. Maar doen we studenten niet te kort door deze beslissingen te baseren op basis van een paar toetsen waarvan we soms niet precies weten wát ze voorspellen? Hebben we voldoende en de juiste informatie verzameld om deze belangrijke beslissing te nemen over de toekomst van studenten?

De les van Dylan Wiliam verwoord door Dominique Sluijsmans:

“Formatief handelen richt zich op het verzamelen van informatie die nodig is om een bepaalde beslissing over de vervolgstappen in het leren van studenten te nemen. Er is sprake van doelgericht in plaats van toetsgericht handelen. De verzamelde informatie dient docenten handvatten te geven waar studenten staan en welke vervolgstappen nodig zijn (tijdens een les of over lessen heen). De verzamelde informatie wordt pas bewijs als deze worden gebruikt een bepaalde claim te onderbouwen (bijvoorbeeld: Hebben studenten de juiste voorkennis om taak X of Y te kunnen uitvoeren?). Docenten hebben informatie van hoge kwaliteit nodig om deze beslissingen goed te kunnen nemen. Dit betekent dat zij in staat moeten zijn studenten de juiste stimuli te geven zodat de gewenste response wordt opgeroepen, waarbij de kwaliteit van de stimulus de kwaliteit van de response zal bepalen. De kwaliteit van goede vragen/opdrachten is dus bepalend voor de wijze waarop studenten zullen antwoorden. Vragen zijn bedoeld om studenten aan het denken te zetten en informatie te genereren. Zonder de juiste informatie bestaat het risico dat er onjuiste conclusies worden getrokken (‘Studenten die hun hand opstaken gaven het goede antwoord dus ik kan verder met mijn les.’). Wiliam stelt dat in het onderwijs vaak de focus ligt op datagestuurd denken, waarbij de verzamelde data leidend zijn voor beslissingen. Deze wijze van informatieverzameling is vaak normgericht, verzameld op vastgestelde momenten en ook vaak maar gericht op een deel van het onderwezen curriculum. Voorbeelden van datagestuurd werken zijn de formeel georganiseerde proefwerken, gestandaardiseerde toetsen en deficiëntietoetsen. De resultaten van deze toetsen worden vervolgens gebruikt voor het nemen van beslissingen. Om formatief handelen kracht bij te zetten, pleit Wiliam voor een verschuiving van een focus op data-driven decision-making naar decision-driven data collection

De belangrijkste les die ik hieruit leer is dat je bij iedere (belangrijke) beslissing die je neemt in het onderwijs over de student stil zou moeten staan bij de vragen:

  • Welke beslissing moet ik hier nemen (Denk hierbij aan: Wat moet de student laten zien om een positief studieadvies voor deze opleiding te kunnen krijgen?)
  • Welke informatie heb ik nodig om een beslissing te kunnen nemen?
  • Hoe richt ik ons onderwijsprogramma in, middels formatieve toetsmomenten in de vorm opdrachten, toetsen, feedback, gesprekken, om voldoende informatie te genereren over de student om een valide en betrouwbare beslissing te kunnen nemen.

Vanuit de student gezien: ‘Hoe kan ik laten zien en aantonen dat ik voldoe aan de eisen die me gesteld worden’. Dit in plaats van: ‘Hoe zorg ik ervoor dat ik mijn toetsen en dus studiepunten behaal.’ 

De focus wordt op deze manier verlegd van het behalen van toetsen naar het leren van toetsen. De bijvangst van decision driven data collection is volgens mij dat studenten zich beter kunnen richten op leren. Ieder formatief toetsmoment levert namelijk informatie op die je weer kunt gebruiken in het vervolg je programma. Voorwaarde is natuurlijk wel dat die informatie geen cijfer is maar rijke feedback. Een hele uitdaging voor docenten, peers en begeleiders.

Formatieve toetsen, ook wel datapunten genoemd, worden ook wel eens vergeleken met een foto. Hoe meer pixels (datapunten) hoe duidelijker de foto wordt. Hoe completer het beeld, hoe betrouwbaarder de beslissing.

 

Toetsinformatie als pixels

Een toetsprogramma wordt doelbewust vormgegeven met het idee dat geen enkele beoordeling of toets perfect is maar dat het geheel wel de perfectie benadert (Van der Vleuten, 2016).

Van der Vleuten geeft, in een uiteenzetting over programmatisch toetsen ‘Programmatisch toetsen als motor voor professioneel leren (Sluijsmans & Segers, 2018 pag. 124 ev.)’ een paar handige spelregels om een toetsprogramma te ontwikkelen:

  1. geen zak-slaagbeslissing op basis van één datapunt
  2. er is sprake van een mix aan toetsmethoden
  3. het aantal benodigde datapunten is proportioneel gerelateerd aan de zwaarte van de beslissing.
  4. er is continu dialoog met de lerende door middel van feedback, om zelfsturing te bevorderen.
  5. het eindoordeel is een menselijk oordeel op basis van voldoende beoordelaarsexpertise.

Wat vind jij?

Ik ben nieuwsgierig naar jouw ideeën over toetsprogramma’s zoals ik hierboven heb geschetst. Heb je al ervaring met toetsprogramma’s? Wat levert het volgens jou op? Is het haalbaar binnen het onderwijs om dit te organiseren? Vind je dat deze manier van toetsen student meer uitdaagt om te leren van de toets? Graag je reactie.

Bron:

Dominique Sluijsmans & Mien Segers. Toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het hoger onderwijs (2018). 
Sluijsmans. Neem formatief niet te snel. Tien lessen van Dylan Wiliam

Cilia de Jong

Cilia de Jong

Auteur

cilia@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Decision-driven data collection

  In de maand januari heb ik met veel aandacht de drie blogs van Dominique Sluijsmans gelezen over formatief toetsen met de titel: Neem formatief niet te snel voor lief: Tien lessen van Dylan Wiliam. Een aanrader voor iedereen die zich bezighoudt met...

Lees meer

Vastgelopen? Trek er op uit

  Als ik op een dag als vandaag thuis werk aan een ‘denkklus’, vind ik mezelf regelmatig tussendoor met de hark in de hand bladeren vegend in de tuin of wandelend naar de stad om een boodschap te doen. Niet omdat die tuin of die boodschap belangrijk is, maar dat...

Lees meer

BLOGS schrijven is niet zo mijn ding

  Over talent en talentontwikkeling   Als ik op mijn ‘to do-lijstje’ toe ben aan ‘schrijf een blog’ word ik onrustig. Ik zie mezelf ineens allerlei afleidingen zoeken om vervolgens weer achter m’n computer te gaan zitten schrijven en schrappen, want dat blog...

Lees meer

Positieve groepsvorming, dé concrete werkvormen (deel 4)

Positieve groepsvorming, dé concrete werkvormen (deel 4)

Dag lezer! Mijn blogreeks groepsdynamica komt aan zijn eind. De reeks is erop gericht geweest het onderwerp groepsdynamica onder de aandacht te brengen. Het is een veelbesproken onderwerp waar docenten dagelijks mee te maken hebben. Er zijn meerdere bronnen die geraadpleegd kunnen worden als je je wilt verdiepen in groepsdynamica. Ik heb het boek ‘positieve groepsvorming’ gebruikt, maar een van de meest gebruikte en bekende in onderwijsland is die van Remmerswaal (Handboek Groepsdynamica, 2015).

Ik sluit de reeks af met werkvormen die je kunnen helpen om het groepsproces positief te beïnvloeden. Ik kies ervoor om met name werkvormen uit de oriëntatiefase weer te geven omdat dit de fase is waar je met de minste inspanning veel effect op de groep kunt hebben.

In elke fase waarin ene groep verkeert, kun je als docent werkvormen inzetten waarbij je de groep een stap verder kunt helpen.

Ik heb voor deze blog gebruik mogen maken van het e-book van mijn collega Floor van Venrooij over groepsdynamica dat bijna uitkomt. Dus jullie krijgen hierbij werkvormen aangereikt én tegelijkertijd een ‘sneak peak’ van het e-book.

Ik hoop dat je er iets aan hebt. Voel je vrij om in reacties eigen voorbeelden te delen!

Oriëntatiefase: de fase waarin het belangrijk is dat iedereen elkaar in de groep leert kennen.

Zoals wel eens wordt gezegd ‘zonder relatie, geen prestatie’. In deze fase worden de relaties tussen student en docent en studenten onderling gevormd. Het streven van elke docent is om deze verhoudingen vanaf het begin op een positieve manier op te bouwen. Hieronder drie activiteiten die je als docent aan het begin van een schooljaar kunnen inspireren om goed van start te gaan.

1. Groepsregels bepaal je samen

Regels zijn er niet voor niets, denk maar aan het verkeer. Als er geen regels zouden bestaan, dan zou er een grote chaos op de weg ontstaan. Dit geldt niet alleen voor het verkeer. Ook in de klas zorgt het ontbreken van duidelijkheid voor onrust bij studenten. En omdat een schadeformulier bij ongelukken in groepen nog ontbreekt, is het raadzaam om ongelukken te voorkomen.

BLANK

Groepsregels bepaal je samen

Om dat te voorkomen is het belangrijk om een schooljaar te beginnen met het opstellen van groepsregels.

Deze regels heten niet voor niets groepsregels, ze gelden namelijk voor de hele groep. Daarom is het verstandig om studenten een rol te geven bij het opstellen van deze afspraken. Je creëert op deze manier een gezamenlijk doel met veel inbreng en dus draagvlak onder de studenten.

Tips bij deze activiteit:

  • Stimuleer studenten om slechts een beperkt aantal klassenregels (maximaal 5) positief te omschrijven: Wat willen jullie wel?
  • Als jij zelf bepaalde groepsregels terug wilt laten op groepsregels terug wil komen, schrijf deze dan van tevoren op en laat studenten hierover in discussie gaan en ze eventueel aanpassen.
  • Maak de gezamenlijke afspraken zichtbaar door er bijvoorbeeld een poster van te laten maken.

2. Elke les een Ice breaker of Energizer

Energizers of Ice breakers hebben vaak niets met de leerstof te maken, maar ze kunnen wel een positieve invloed hebben op de groepsvorming. Ze hebben als doel energie op te wekken waardoor studenten loskomen en zich op hun gemak gaan voelen.

Hieronder een aantal voorbeelden die je als docent kunt inzetten om elkaar beter te leren kennen:

BLANK

In de rij

Tijdsduur: 5 minuten
Doel: Alle studenten vormen een rij op basis van genoemde criteria.
Werkwijze: De docent geeft de studenten de taak om binnen 2 minuten op basis van lengte een rij te vormen.
Evaluatie: Het belang van communicatie in een groep bespreken.
Variaties:

  • Laat de studenten een rij vormen op basis van andere criteria: leeftijd, schoenmaat, geboortedag, beginletter van de naam.
  • Maak het maken van een rij moeilijker door extra restricties te geven: zonder praten, geblinddoekt, geblinddoekt en zonder praten.

Twee waarheden, een sprookje

Deze Ice breaker kun je klassikaal uitvoeren of studenten in tweetallen laten doen.
Tip: Begin als docent met het vertellen van twee waarheden, een sprookje. Hierdoor is het ijs vaak gebroken en weten studenten wat de opdracht is.

Tijdsduur: 5 minuten
Doel: Docent en studenten leren elkaar beter kennen op een grappige manier.
Werkwijze:

  • De persoon die aan de beurt is, vertelt 3 dingen over zichzelf. Eén hiervan is niet waar, het is een ‘sprookje’.
  • Laat de andere leerling(en) raden wat het sprookje is.

Evaluatie: Kort bespreken wat je nu van elkaar te weten bent gekomen. 

Voorstellen met foto’s

Tegenwoordig heeft (bijna) elke student wel een smartphone. Bij de volgende werkvorm kun je hier als docent gebruik van maken.

Doel: Elkaar beter leren kennen.

Werkwijze:

  • Maak als docent tweetallen.
  • Geef de tweetallen 5 minuten de tijd om samen elkaars laatste 10 foto’s te bekijken.
  • Laat studenten elkaar voorstellen in 1 minuut aan de hand van de foto’s die ze met elkaar besproken hebben.

Evaluatie: Kort bespreken wat je nu van elkaar te weten bent gekomen. 

Nooit heb ik …

Doel: Studenten leren elkaar beter kennen op een actieve en een beetje competitieve manier.

Werkwijze:

  • De klas gaat in een cirkel zitten
  • Elke student houdt 5 vingers omhoog.
  • De docent gaat de cirkel langs en vraagt aan elke student om iets te vertellen wat hij of zij nog nooit heeft gedaan (een activiteit mag maar 1 keer genoemd worden).
    De student begint telkens met: ‘Nooit heb ik …’
    (bijvoorbeeld: ‘Nooit heb ik zwart haar gehad’).
  • Nadat een student een zin heeft gezegd moeten de studenten in de cirkel die de activiteit wel hebben gedaan 1 vinger omlaag doen en blijven er dus nog 4 vingers over.
  • Als student wil je zo lang mogelijk in het spel blijven en dat kan als je nog vingers omhoog hebt staan. Stimuleer studenten dus om activiteiten te noemen die klasgenoten wel hebben gedaan.

Evaluatie: Kort bespreken wat je nu van elkaar geleerd hebt.

Met de hele groep tellen

Tijdsduur: 5 minuten
Doel: Studenten concentreren zich op slechts één activiteit

Werkwijze:

  • Vorm met de hele groep een niet al te grote cirkel.
  • Zorg ervoor dat elke student naar een punt in het midden kijkt.
  • De hele groep samen, telt tot 30.
    Let op: Telkens mag maar 1 persoon een cijfer zeggen én iemand mag niet twee keer achter elkaar aan het woord zijn.
  • Als twee studenten tegelijk spreken, begin je weer bij 1.
  • Variatie: geef een teken en dan gaat de telling achteruit, of verandert de cirkel van richting (van linksom naar rechtsom). De kring moet dan nog beter focussen!

Evaluatie: Hoe goed zijn we in staat om ons op één ding te focussen?

Samenwerking twister

Tijdsduur: 10 minuten
Doel: Studenten moeten met elkaar samenwerken om de opdracht te volbrengen.
Werkwijze: Studenten moeten samen 1 opdracht volbrengen. Bijvoorbeeld: Jullie moeten er samen voor zorgen dat in totaal slechts 5 voeten, 3 handen en 1 kin de grond aanraken.

Begin bij deze Energizer eenvoudig en maak de opdrachten steeds moeilijker, zodat studenten meer moeten samenwerken

Evaluatie: Hoe goed zijn jullie in staat om samen te werken?

 

3. Coöperatief leren

Om een groepsgevoel te creëren is het belangrijk dat studenten ervaren dat ze samen meer leren dan alleen. Het gaat er hierbij om dat studenten ervaren dat ze elkaar nodig hebben om een doel te bereiken. Dit gebeurt wanneer ze coöperatief leren. Bij coöperatief leren is het wel belangrijk dat er aan de vijf basisprincipes wordt voldaan (Kerpel, 2014):

  • Positieve wederzijdse afhankelijkheid: Een opdracht kan alleen slagen als elk individueel groepslid een bijdrage heeft geleverd.
  • Individuele verantwoordelijkheid: Elke leerling wordt beoordeeld voor zijn eigen individuele bijdrage aan een samenwerkingsopdracht.
  • Directe interactie: Er is fysieke interactie tussen de studenten, ideeën, kennis en meningen worden op deze momenten gedeeld.
  • Samenwerkingsvaardigheden: Er wordt los van de opdracht ook nog elke les aandacht besteed aan de vaardigheden die nodig zijn om succesvol te kunnen samenwerken.
  • Evaluatie van het groepsproces: Evaluatie van de samenwerking vindt eerst plaats in de groepen en daarna klassikaal.

Ten slotte is het belangrijk dat de docent de groepen maakt bij cooperatief leren. Bij de eerste keer is het vooral belangrijk dat de samenwerking zonder problemen verloopt en daarom werkt het beter om groepen te vormen bestaande uit studenten die elkaar kennen. Bij vervolgopdrachten maak je als docent juist heterogene groepen met daarin studenten die elkaar niet goed kennen. Hierdoor dient deze vorm van leren tevens ook als kennismakingsacitiviteit.

Hieronder staan twee coöperatieve werkvormen die je als docent kunt inzetten om het groepsvormingsproces positief te beïnvloeden.

BLANK

Denken – delen- uitwisselen

Tijdsduur: 5 minuten
Doel: Studenten leren naar elkaar te luisteren en informatie met elkaar uit te wisselen.

Werkwijze:

  1. De docent stelt een vraag aan de studenten
  2. De studenten krijgen vervolgens 1 à 2 minuten de tijd om individueel na te denken.
  3. Hierna krijgen de studenten 1 à 2 minuten de tijd om hun antwoord in tweetallen met elkaar te delen.
  4. Elk tweetal deelt zijn antwoord klassikaal.

Placemat

Tijdsduur: 15 minuten
Doel: Studenten leren naar elkaar te luisteren, te overleggen en overeenstemming te bereiken binnen de beschikbare tijd.

Werkwijze:

  • De docent maakt groepen van vier studenten.
  • Elke groep krijgt een A3 vel papier met in het midden een rechthoek, en vanuit elke hoek van de rechthoek een diagonale lijn, zodat er naast de rechthoek in het midden nog 4 vakken ontstaan.
  • Er zitten 4 studenten bij elke ‘placemat’. Elke student heeft een eigen vak op de placemat.
  • De studenten krijgen eerst 5 minuten de kans om de opdracht van de docent te beantwoorden en in te vullen in hun eigen vak op de placemat. .
  • Na deze 5 minuten gaan studenten 5 minuten overleggen om tot een gezamenlijk antwoord te komen. Dat wordt in het middelste vak gezet.
  • De groepjes delen hun gezamenlijke antwoord met de rest van de klas, en vervolgens vergelijken ze de antwoorden met elkaar. 
Emina Nakicevic

Emina Nakicevic

Auteur

emina@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Ik wil gewoon lekker lesgeven

  3 brillen om naar je klas te kijken “alleen kan je niks, je moet het samen doen” (Johan Cruijff) Je les, in de opleiding bedrijfseconomie, staat op het punt van beginnen. De doelstelling van vandaag is om de studenten de verschillende manieren van een...

Lees meer