Veel geluk, gezondheid en vragen voor 2018!

Veel geluk, gezondheid en vragen voor 2018!

Samen op zoek naar High Impact Teamwork

De afgelopen weken hebben wij regelmatig geschreven over de 8 bouwstenen van High Impact Teaching. Deze bouwstenen dragen aantoonbaar bij aan onderwijs dat indruk maakt. Onderwijs waar onze studenten graag aan deel willen nemen. Onderwijs dat uitdagend en stimulerend is. Onderwijs dat er op gericht is op de talenten van onze studenten te ontdekken en zo beste in onze studenten naar boven te halen. Volgens mij hoor ik je nu denken: “Oké, oké, maar dat is nogal wat….” En eerlijk gezegd begrijp ik dat ook wel.

En als ik je nu zou vragen hoe jouw ideale werkomgeving er uit zou moeten zien? Wat is er belangrijk voor jou als professional om je te blijven ontwikkelen en om met energie uit je werk te komen, in plaats van (dood)moe op de bank te ploffen? Wanneer ga jij fluitend naar je werk en kom je vol inspiratie thuis?
Misschien hoor ik je nu wel denken: “Nou, als je het zo vraagt….”

Volgens mij komt het effect van wat we willen we bereiken met High Impact Teaching namelijk verbazend dicht bij wat wij ook belangrijk vinden in ons werk. Volgens mij komen wij ook het meeste tot ons recht in een uitdagende en stimulerende omgeving. Voor ons is het ook belangrijk dat wij onze talenten mogen benutten en hiervoor erkenning krijgen. Erkenning van onze studenten, onze collega’s en onze organisaties. Kortom, wij hebben zelf ook belang bij High Impact Teamwork!

De gedachte over hoe een onderwijsorganisatie zou moeten functioneren om het beste uit haar zelf en haar medewerkers te halen, houdt mij al langer bezig. Is het inderdaad zo dat het werken met resultaat verantwoordelijke teams hier het juiste antwoord op is, of zijn het toch de zelfsturende teams? Is een leidinggevende in het middenkader nu beter integraal verantwoordelijk voor het eindresultaat of gaat het toch meer om zijn of haar onderwijskundig leiderschap? Hoe zouden ondersteunende diensten zich het beste kunnen manifesteren in de organisatie of heeft deze stafafdeling juist een meer leidende rol? Wat is eigenlijk het verschil tussen een ondersteunende dienst en een stafafdeling?

Veel vragen waar ik graag het komend jaar mijn tanden eens in wil gaan zetten. Misschien nog niet eens met de bedoeling om hier een eensluidend antwoord op te kunnen geven, maar vooral om beter te leren kijken naar organisaties waar ik aan het werk mag gaan. Om zo weer nieuwe inzichten op te doen en uiteraard weer een stapje verder te komen in het advies en de ondersteuning aan jullie, onze collega’s uit het werkveld.

In dat licht ben ik in de kerstvakantie begonnen in het boek ‘Reinventing Organizations’ van Frédéric Laloux. Tijdens het lezen stuitte ik op onderstaand citaat:

“Als je een bepaald hulpmiddel toepast, pas je ook de managementfilosofie toe die erin besloten ligt” van Clay Shirky.

Volgens mij een aardige gedachte om de komende tijd in jouw en mijn werk eens mee te nemen. Welke hulpmiddelen worden er gebruikt als managementinformatie systeem, als leerlingvolgsysteem, als kwaliteitszorgsysteem, enzovoorts. Uit welke stappen en verslaglegging bestaat jouw HR-cyclus? Kun je altijd en overal inloggen op het netwerk en heb je een telefoon van de zaak? Hoe vergaderen jullie en wie bepaald daarbij de agenda?
Zo maar wat voorbeelden waar ik aan denk als ik het citaat van Clay Shirky lees en het woord hulpmiddel probeer goed te begrijpen. Nu nog op zoek naar de filosofie die er achter ligt bij de organisaties waar ik de komende maanden aan het werk mag gaan. Daarbij ben ik natuurlijk ontzettend nieuwsgierig of deze filosofie (en) overeenkomen met het gekozen model van aansturing en of ze elkaar kunnen versterken. Leiden ze ook daadwerkelijk tot het gewenste resultaat en draagt het bij aan High Impact Teaching?

Natuurlijk ben ik ook ontzettend nieuwsgierig naar jullie ervaringen en gedachtes hierover. Zijn er misschien ‘best practises‘ waar we meer van kunnen leren? Ik hoor graag van jullie en neem jullie kennis en ervaring graag mee in mijn zoektocht!

Ik wens jullie een heel mooi, onderzoekend en goed onderwijs jaar toe. Een jaar waar in al jouw dromen en wensen uit mogen komen en we in goede gezondheid over 365 dagen de balans op mogen maken: het was een goed jaar. Een jaar waarin we misschien wel tot nieuwe inzichten kunnen komen en zo weer een stapje verder komen in ons doel: Excellent onderwijs voor iedereen!

Remko Keizerwaard

Remko Keizerwaard

Auteur

remko@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Er komt een vrouw bij de dokter…

  Over een teveel aan adviezen en ‘behandelplannen’. Vorige week sprak ik een beginnend leidinggevende tijdens een van mijn werkzaamheden ergens in Nederland. Zij is net gestart in haar nieuwe rol en is uiteraard heel enthousiast en gedreven om haar team en het...

Lees meer

Beter een zes zonder stress dan een zeven zonder leven?

  “Studenten doen gewoon niks! Ze zijn niet gemotiveerd om naar de les te komen, ze zijn niet gemotiveerd om huiswerk te maken, niet gemotiveerd om zich voor te bereiden”…..hoe vaak hoor je dit niet? In mijn vorige baan heb ik dit ook meegemaakt. Onze docenten...

Lees meer

De staat van het onderwijs in Nederland

  Zorgwekkende bevindingen én hoopvolle perspectieven  Het zal jullie niet ontgaan zijn dat in april het rapport van de Onderwijsinspectie is verschenen over de staat van ons Nederlandse onderwijs. De belangrijkste conclusie luidt als volgt: “Het Nederlandse...

Lees meer

Samen op zoek naar High Impact Teamwork

De afgelopen weken hebben wij regelmatig geschreven over de 8 bouwstenen van High Impact Teaching. Deze bouwstenen dragen aantoonbaar bij aan onderwijs dat indruk maakt. Onderwijs waar onze studenten graag aan deel willen nemen. Onderwijs dat uitdagend en stimulerend is. Onderwijs dat er op gericht is op de talenten van onze studenten te ontdekken en zo beste in onze studenten naar boven te halen. Volgens mij hoor ik je nu denken: “Oké, oké, maar dat is nogal wat….” En eerlijk gezegd begrijp ik dat ook wel.

En als ik je nu zou vragen hoe jouw ideale werkomgeving er uit zou moeten zien? Wat is er belangrijk voor jou als professional om je te blijven ontwikkelen en om met energie uit je werk te komen, in plaats van (dood)moe op de bank te ploffen? Wanneer ga jij fluitend naar je werk en kom je vol inspiratie thuis?
Misschien hoor ik je nu wel denken: “Nou, als je het zo vraagt….”

Volgens mij komt het effect van wat we willen we bereiken met High Impact Teaching namelijk verbazend dicht bij wat wij ook belangrijk vinden in ons werk. Volgens mij komen wij ook het meeste tot ons recht in een uitdagende en stimulerende omgeving. Voor ons is het ook belangrijk dat wij onze talenten mogen benutten en hiervoor erkenning krijgen. Erkenning van onze studenten, onze collega’s en onze organisaties. Kortom, wij hebben zelf ook belang bij High Impact Teamwork!

De gedachte over hoe een onderwijsorganisatie zou moeten functioneren om het beste uit haar zelf en haar medewerkers te halen, houdt mij al langer bezig. Is het inderdaad zo dat het werken met resultaat verantwoordelijke teams hier het juiste antwoord op is, of zijn het toch de zelfsturende teams? Is een leidinggevende in het middenkader nu beter integraal verantwoordelijk voor het eindresultaat of gaat het toch meer om zijn of haar onderwijskundig leiderschap? Hoe zouden ondersteunende diensten zich het beste kunnen manifesteren in de organisatie of heeft deze stafafdeling juist een meer leidende rol? Wat is eigenlijk het verschil tussen een ondersteunende dienst en een stafafdeling?

Veel vragen waar ik graag het komend jaar mijn tanden eens in wil gaan zetten. Misschien nog niet eens met de bedoeling om hier een eensluidend antwoord op te kunnen geven, maar vooral om beter te leren kijken naar organisaties waar ik aan het werk mag gaan. Om zo weer nieuwe inzichten op te doen en uiteraard weer een stapje verder te komen in het advies en de ondersteuning aan jullie, onze collega’s uit het werkveld.

In dat licht ben ik in de kerstvakantie begonnen in het boek ‘Reinventing Organizations’ van Frédéric Laloux. Tijdens het lezen stuitte ik op onderstaand citaat:

“Als je een bepaald hulpmiddel toepast, pas je ook de managementfilosofie toe die erin besloten ligt” van Clay Shirky.

Volgens mij een aardige gedachte om de komende tijd in jouw en mijn werk eens mee te nemen. Welke hulpmiddelen worden er gebruikt als managementinformatie systeem, als leerlingvolgsysteem, als kwaliteitszorgsysteem, enzovoorts. Uit welke stappen en verslaglegging bestaat jouw HR-cyclus? Kun je altijd en overal inloggen op het netwerk en heb je een telefoon van de zaak? Hoe vergaderen jullie en wie bepaald daarbij de agenda?
Zo maar wat voorbeelden waar ik aan denk als ik het citaat van Clay Shirky lees en het woord hulpmiddel probeer goed te begrijpen. Nu nog op zoek naar de filosofie die er achter ligt bij de organisaties waar ik de komende maanden aan het werk mag gaan. Daarbij ben ik natuurlijk ontzettend nieuwsgierig of deze filosofie (en) overeenkomen met het gekozen model van aansturing en of ze elkaar kunnen versterken. Leiden ze ook daadwerkelijk tot het gewenste resultaat en draagt het bij aan High Impact Teaching?

Natuurlijk ben ik ook ontzettend nieuwsgierig naar jullie ervaringen en gedachtes hierover. Zijn er misschien ‘best practises‘ waar we meer van kunnen leren? Ik hoor graag van jullie en neem jullie kennis en ervaring graag mee in mijn zoektocht!

Ik wens jullie een heel mooi, onderzoekend en goed onderwijs jaar toe. Een jaar waar in al jouw dromen en wensen uit mogen komen en we in goede gezondheid over 365 dagen de balans op mogen maken: het was een goed jaar. Een jaar waarin we misschien wel tot nieuwe inzichten kunnen komen en zo weer een stapje verder komen in ons doel: Excellent onderwijs voor iedereen!

Brief aan de inspecteur van het middelbaar beroepsonderwijs.

Brief aan de inspecteur van het middelbaar beroepsonderwijs.

Beste Stef,

Het is inmiddels al weer enige tijd geleden dat wij elkaar gesproken hebben, ik meen in oktober 2015 voor het laatst. Wat vliegt de tijd! In die tijd werkte ik bij een van de mbo-instellingen in Nederland die deelnamen aan een pilot van de onderwijsinspectie. Deze pilot was bedoeld om het nieuwe toezicht kader voor het middelbaar beroepsonderwijs te toetsen. Jij was onze hoofdonderzoeker en vanuit die rol hebben wij elkaar dan ook leren kennen. Ondanks dat onze rollen in het onderwijs verschillend waren, begrepen wij elkaar goed en het lukte ons dan ook om vanuit onze verschillende invalshoeken naar het toezicht kader te kijken. Tussen 2015 en nu is er al weer een hoop een gebeurd; het nieuwe toezicht kader is in gebruik genomen en ik werk inmiddels als adviseur bij onderwijsadviesbureau Dekkers.

Waarom dan nu deze brief? Vooral omdat ik een nieuw dilemma heb waar ik graag eens met jou over wil praten.
Een dilemma dat afgelopen vrijdag ontstond toen ik met mijn collega’s druk bezig was met de voorbereiding van ons High Impact Teaching event. Een congres voor docenten in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. Een congres waar we ons laten inspireren door toonaangevende sprekers, door elkaar en waar we vooral met elkaar in gesprek willen gaan over hoe wij onze lessen in beroepsonderwijs beter kunnen maken. Meer impact kunnen geven.

Om dit te kunnen bereiken zijn er acht bouwstenen waarvan wij weten dat zij bewezen effectief zijn en absoluut een bijdrage zullen leveren aan kwalitatief goede lessen. En dit is nu juist waar ik het met jou over zou willen hebben. Ik bedacht mij namelijk van het weekend dat het best gaaf zou zijn als de onderwijsinspectie een High Impact Toezichtkader zou hebben.

Wat denk jij?

Een toezichtkader waarin niet alle kritische prestatie indicatoren onderzocht worden bij iedere onderwijsinstelling, maar waar er vooral gekeken wordt naar wat er urgent is in de opleiding die onderzocht wordt. Hierbij denk ik misschien aan een andere urgentie dan jij. Ik denk hierbij bijvoorbeeld niet aan een te laag diploma of jaarrendement, maar aan een urgent probleem dat door jou gesignaleerd kan worden in de lessen die wij verzorgen. Gewoon, een les die beter kan en moet.

Hoe gaaf zou het zijn als jij daar vanuit jouw rol ook uitleg zou kunnen geven aan het onderwijsteam en wellicht een instructie zou kunnen geven over hoe het team hier in het vervolg anders mee om zou kunnen gaan. En dan niet na twee onderzoeksdagen weggaan, maar blijf gerust een paar weken. Niet om er ‘gezellig’ te zijn, maar om verder te gaan met het kwaliteitsonderzoek en de observaties.

Door langer te blijven denk ik dat het voor de inspecteurs ook makkelijker wordt om het onderwijsprogramma en het pedagogisch didactisch concept goed te observeren en in de context van het beroep te bezien. De samenwerking met het bedrijfsleven, gesprekken met ouders en/of verzorgers, informatiebijeenkomsten, zomaar een greep uit een week in het beroepsonderwijs waarbij de inspecteurs volgens mij maar al te graag betrokken willen zijn. Niet vrijblijvend, maar uiteraard vooral om direct feedback te kunnen geven op de uitvoering van deze activiteiten.
In die weken dat het onderzoek loopt, zou het onderwijsteam volgens mij ook al de verbeterpunten die door jullie zijn aangereikt kunnen oplossen en de nieuwe, verbeterde werkwijze, al kunnen toepassen in het werk. Als deze verbetering dan ook nog eens door de inspecteurs goed bevonden wordt, is er volgens mij direct sprake van een succeservaring! Daar moeten wij nu nog weleens 6 weken op wachten.

Als je het toezicht zo bekijkt, ontstaat er naar mijn idee een hele andere vorm van toezicht. Een vorm waarin de scholen, de onderwijsteams en de docenten met de onderwijsinspecteurs samenwerken aan excellent onderwijs in Nederland. Ik zie dat wel zitten, maar hoe denk jij hierover?

Ik nodig je dan ook van harte uit om op 23 november aanstaande aanwezig te zijn bij ons congres en samen met ons de eerste stap om een nieuwe beweging in gang te zetten! Tot dan!

Hartelijke groet,

Remko Keizerwaard

Remko Keizerwaard

Remko Keizerwaard

Auteur

remko@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Onderwijskundig leiderschap, ….. ehhh …..

  Een aantal weken geleden hebben wij met een aantal collega’s van onderwijsadviesbureau Dekkers een masterclass gehouden over leiderschap in het beroepsonderwijs. Samen met collega’s van diverse scholen uit het land hebben we nagedacht over wat dit nu eigenlijk...

Lees meer

Veel geluk, gezondheid en vragen voor 2018!

Samen op zoek naar High Impact Teamwork De afgelopen weken hebben wij regelmatig geschreven over de 8 bouwstenen van High Impact Teaching. Deze bouwstenen dragen aantoonbaar bij aan onderwijs dat indruk maakt. Onderwijs waar onze studenten graag aan deel willen nemen....

Lees meer

Terug naar de bedoeling!

Terug naar de bedoeling!

Begin dit schooljaar hebben wij als adviseurs bij OAB Dekkers gesproken over wat ons drijft en wat ons als team bindt in de uitvoering van ons werk. Natuurlijk, met elkaar zetten wij ons dagelijks actief in om onze bijdrage te leveren aan Excellent onderwijs voor iedereen! Dat is onze missie.

 

Missie en impact OAB Dekkers

Maar welk concreet resultaat verwachten wij nu te bereiken met deze missie? Wat zijn onze concrete doelstellingen? Welke impact willen wij eigenlijk hebben? Deze vragen hielpen ons om te beoordelen of we onze missie ook wel daadwerkelijk konden bereiken: Excellent onderwijs voor iedereen! Immers, wij positioneren onszelf vooral als expert in het beroepsonderwijs. Een duidelijke focus die ons tenslotte ook helpt om iedere dag opnieuw bezig te zijn met die zaken die voor ons belangrijk zijn.

 

Dit bracht ons op het idee om jaarlijks een bijdrage te leveren aan enkele maatschappelijke projecten die er voor ons toe doen. Projecten die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van mensen waar dan ook ter wereld en die wij een warm hart toe dragen. In deze blog neem ik je graag mee in één van onze maatschappelijke projecten.

 

Begin januari ben ik gestart met een basisschool voor speciaal onderwijs in Rotterdam. De school richt zich op het verzorgen van onderwijs aan kinderen met stoornissen op het gebied van spraak- en taalontwikkeling. De oorzaken van deze stoornissen zijn zeer divers en vragen dan ook om een specialistische aanpak en behandeling door leerkrachten, logopedisten, kinderoefentherapeuten, enzovoorts. Het team logopedisten dat werkzaam is op deze school worstelt al een aantal jaren met de vraag of de behandelingen zij verrichten nog wel voldoende effectief zijn. Zijn zij nog steeds in staat om hun rol als therapeut en specialist op het gebied van spraak- en taalontwikkeling te vervullen, of wordt hun werk meer en meer beperkt door de ‘systeemwereld’ die wij allemaal in het onderwijs zo vaak herkennen. Eigenlijk wil het team logopedisten alleen maar terug naar de bedoeling!

 

Om deze bedoeling, of anders gezegd: de essentie, van hun werk binnen de school weer opnieuw op de kaart te krijgen, zijn we met elkaar gestart om eerst te onderzoeken wat er nu eigenlijk echt toe doet. Dit onderzoek heb ik gebaseerd op de inspiratie die ik kreeg van het boek ‘Verdraaide organisatie’ van Wouter Hart. In dit boek beschrijft hij voor mij op treffende wijze hoe we ons – vooral ook in organisaties in het publiek domein – laten gijzelen door wetten en regels van het systeem. Natuurlijk, deze wetten en regels zijn ooit bedacht met de beste intenties, maar falen vaak jammerlijk in het bereiken van het oorspronkelijke doel. Immers, deze organisaties benoemen ook steeds dat zij hun medewerkers als professionals willen laten excelleren! Professionals die verantwoordelijkheid nemen en zich eigenaar voelen van het werk dat zij verrichten. Als het even kan, zien deze professionals ook aan welke kennis het ze ontbeert en gaan ze uiteraard ook zelf op zoek naar passende en effectieve scholing om deze kennis zo snel als mogelijk te vergaren! Dit is lastig in een wereld waarin wetten en regels voortdurend bepalen wat je moet doen.

 

Zo ook bij deze basisschool. Ieder kind heeft recht op zoveel minuten logopedie per week. Deze minuten zijn opgedeeld in individuele behandeltijd, tijd om in kleine groepjes te werken en tijd in de klas. Of deze tijdsindeling ook recht doet aan ieder kind, de professionaliteit van de logopedist èn de effectiviteit van de behandeling is nog maar de vraag.
Voor mij reden om met het team in vier stappen te werken aan een nieuw plan van aanpak, op basis waarvan we binnenkort het gesprek aan gaan met het managementteam van de school

Wat vinden wij belangrijk

In drie stappen hebben wij met elkaar nagedacht over wat nu eigenlijk ècht de bedoeling is.

 

Stap 1:     Wat vind ik belangrijk?

In deze stap heeft ieder teamlid nagedacht over zijn of haar kwaliteiten en valkuilen, op basis van de theorie van de kernkwaliteiten van Daniel Ofman. Deze individuele kwaliteiten en valkuilen geven natuurlijk ook een mooi inzicht in de kwaliteiten en valkuilen van het team.

 

Stap 2:     Wat vinden wij belangrijk?

In deze stap hebben we met elkaar gekeken hoe het team het werk zoals zij dat nu verzorgen ervaren en hoe zij zouden willen dat het was. Hiervoor hebben we gebruik gemaakt van het idee van de ‘A naar B – sessie’ van stichting Leerkracht.

 

Stap 3:     Wat vinden zij belangrijk?

In deze laatste stap hebben we als team onderzocht wat alle belanghebbenden in het werk van de logopedisten belangrijk vinden. Wat verwachten kinderen en ouders, wat gaat er goed en wat kan er beter? Hoe kijken collega’s intern en extern naar de huidige kwaliteit van de dienstverlening? Welke tips en tops kunnen zij benoemen? Voor het ontwikkelen van de enquêtevragen hebben we gebruik gemaakt van de theorie van ‘fixed and growth mindset’ van Carol Dweck.

 

Al deze ingrediënten tezamen hebben geleid tot een nieuw plan van aanpak voor de logopedie op school. Een plan waarin het kind weer echt centraal is komen te staan en de logopedist zich weer als professional in zijn of haar kracht voelt staan. Een plan waarin ouders bij de logopedist terecht kan voor vragen en advies en een plan waarin leerkracht en logopedist weer samenwerken aan een gezamenlijke leervraag. Een plan waarin excellent onderwijs ook voor deze bijzondere kinderen mogelijk is en blijft!

 

Nu nog hopen dat het managementteam ook met ons mee terug wil gaan naar de bedoeling!

Straatcultuur òf meer burgerschapsonderwijs?

Straatcultuur òf meer burgerschapsonderwijs?

Begin februari bracht de onderwijsinspectie het nieuws naar buiten dat het burgerschapsonderwijs in Nederland beter moet. Uit onderzoek is gebleken dat scholen wel aan de wettelijke opdracht voldoen, maar dat er wel degelijk vragen gesteld kunnen worden bij de kwaliteit van de uitvoering van deze wettelijke opdracht.

Naar aanleiding van deze uitkomst van het onderzoek, schreef minister Bussemaker  op 7 februari 2017 een brief aan de Tweede Kamer, met daarin haar voorstellen ten aanzien van de versterking van het burgerschapsonderwijs.

 

Hoewel dit nieuws redelijk ‘geruisloos’ voorbij dreef in de eerste weken van februari, had ik er toch zo mijn bedenkingen bij. Waarom eigenlijk? Misschien wel omdat ik de aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek door de onderwijsinspectie niet goed scherp kon krijgen. Zijn er dan zoveel klachten geweest van studenten over de kwaliteit van hun lessen burgerschap? Heb ik iets gemist vanuit het werkveld, toen zij ten strijde trokken tegen een onduidelijke burgerschapsonderwijs opdracht vanuit het ministerie? Of lag de aanleiding voor het uitvoeren van dit onderzoek in een steeds harder wordend politiek debat over normen en waarden in onze samenleving?

 

Enfin, misschien moet ik deze gedachten maar laten voor wat ze zijn en vooral ook kijken naar de uitspraken die de minister doet. In haar brief geeft de minister een helder beeld van de huidige stand van zaken van het burgerschapsonderwijs en stelt zij diverse maatregelen voor. Maatregelen die gericht zijn op de opdracht vanuit het ministerie, het curriculum, de kwaliteitsborging in de uitvoering en last but not least; de professionalisering en opleiding van docenten. Kortom, een behoorlijk breed scala aan voornemens!

 

En toch ontbreekt er voor mij iets in de voorgenomen maatregelen van de minister: de student en zijn of haar omgeving!

 

Om de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs in Nederland ook daadwerkelijk te kunnen verbeteren, gaat het volgens mij niet alleen over het verhogen van de kennis en kunde van de school en haar docenten om studenten ‘op te leiden’ in goed burgerschap. Het gaat er toch ook om goed te kijken naar welk gedrag studenten laten zien? Gedrag dat misschien wel aanleiding is geweest voor de onderwijsinspectie om dit onderzoek überhaupt uit te voeren? Het kan toch ook zo zijn dat het feit dat de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs nog onder de maat is doordat het ons nog niet goed lukt om de jongeren op de juiste wijze te bereiken?

afb-blog
Dit doet mij denken aan een boek dat ik een aantal jaren geleden gelezen heb. Dit boek, Hoe de straat de school binnendringt van Iliass El Hadioui, laat zien hoe divers de culturen zijn waarin jongeren van nu opgroeien. Hij maakt daarbij onderscheid tussen de thuiscultuur, de schoolcultuur en straatcultuur. Vooral deze laatste cultuur, de straatcultuur, ervaren wij vrijwel dagelijks in de les, het lokaal en in school. De bekende voorbeelden hier zijn het spreken van straattaal, het dragen van petjes, het aanhouden van de jas in de klas, de voortdurende (hoorbare of stille) aanwezigheid van mobiele telefoons, het draaien van luide muziek in de gang, het bekijken van rapclips op YouTube tijdens lessen in de mediatheek, maar ook het stellen van irrelevante vragen aan de docent (over persoonlijke zaken), het maken van tjirpende geluiden in de klas, handtastelijkheden tussen jongens en meiden en al die andere gedragingen ( Iliass El Hadioui).

 

Zijn het juist niet deze gedragingen die maken dat jongeren van nu volgens ons last hebben van een gebrek aan normen aan waarden? Zorgt juist dit gedrag er niet voor dat er een steeds luidere roep komt om harder op te treden, op straat en in de school? In zijn boek laat Iliass El Hadioui zien hoe deze drie culturen voorkomen in de leefwereld van de jongeren en welke pedagogische interventies hierin behulpzaam kunnen zijn. Ook maakt hij pijnlijk duidelijk wat er gebeurt als wij, medewerkers in scholen, er voor kiezen om de straatcultuur te omarmen en proberen mee te doen met de jongeren.

 

Er ontstaat dan zoiets als de docent burgerschap die net over vitaal burgerschap heeft gesproken en daarna ziet gebeuren dat zijn studenten in de schoolkantine alleen maar kiezen uit ongezond eten, omdat dit nu eenmaal het goedkoopst is. Of kijk ook eens goed naar de reclameposters voor diverse feesten en activiteiten die in school hangen. Is dit een reële en gebalanceerde afspiegeling van wat wij belangrijke normen en waarden vinden in onze maatschappij of niet?

 

Omdat burgerschapsvorming niet beperkt blijft tot één vak, is het juist belangrijk om te blijven investeren in het leren kennen van jouw doelgroep. Niet omdat je je daar op aan moet passen, maar om te begrijpen welke pedagogische en didactische strategieën helpen om voor deze jongeren de slijpsteen te zijn en te blijven die ze nodig hebben.

 

Een slijpsteen om te kunnen ontwikkelen tot een verantwoordelijk burger in onze samenleving!

 

Bron:

Kamerbrief aan de Tweede Kamer over versterking burgerschapsonderwijs

 

Iliass El Hadioui

Hoe de straat de school binnendringt

denken vanuit de pedagogische driehoek van de thuiscultuur, de schoolcultuur en de straatcultuur

“Een curriculum is toch nooit af?”

“Een curriculum is toch nooit af?”

In mijn eerste jaar bij onderwijsadviesbureau Dekkers heb ik diverse projecten mogen begeleiden. Projecten in het middelbaar beroepsonderwijs èn in het hoger beroepsonderwijs. In het noorden van Nederland of in het zuiden, op diverse plekken ben ik ( of zijn wij) gevraagd om een team, een afdeling, een academie of faculteit te ondersteunen.

Bijna al deze projecten hebben te maken gehad met onderwijsontwikkeling: het vernieuwen van het curriculum.

Dit maakt dat ik aan het eind van dit jaar de balans eens heb opgemaakt en ik voor mijzelf tot een aantal inzichten ben gekomen die ik graag met jou wil delen.

 

Een curriculum is echt nooit af……!

Voor mij een prettig en belangrijk inzicht als ik samen met een team werk aan het vernieuwen van het curriculum. Ik denk dat het vernieuwen van een curriculum een cyclisch proces is. Al is het alleen al omdat het curriculum de basis is voor het vernieuwende onderwijs waar je als team naar toe wilt. Pas als dit onderwijs ‘van het papier’ komt en werkelijkheid wordt, kun je ervaren of het vernieuwde onderwijs ook zo nieuw is als je dat bedoeld had.

Natuurlijk, voordat je aan de slag gaat met het vernieuwen van het curriculum denk je goed na over de veranderingen die je teweeg wilt brengen en ga je uiteraard ook veel in gesprek met je huidige studenten. Je maakt een goede analyse van de stand van zaken van het onderwijs zoals dat nu door jou en jouw collega’s verzorgd wordt.

 

Met de informatie over de kwaliteit van het huidige onderwijsprogramma in je rugzak, ga je verder op zoek in landelijke kaders en richtlijnen. Waaraan moet ons onderwijs voldoen? Welke eisen worden er gesteld aan de beroepsprofessionals waar wij voor opleiden? De meeste studenten zijn toch zo’n vier jaar bezig, voordat ze daadwerkelijk aan de slag kunnen in het beroep waar voor ze opgeleid zijn. Dit maakt dat jij toch op zijn minst moet weten wat het werkveld vraagt als jouw studenten afgestudeerd van school komen. En dat komt eigenlijk elk jaar weer terug…..

 

Nu heb je in jouw rugzak niet alleen de informatie over de kwaliteit van het huidige onderwijs, je hebt ook jullie blik op de toekomst van het beroep bij je. Je weet welke eisen er aan het nieuwe onderwijs gesteld worden. Je kunt nu verder met nadenken over jullie visie op onderwijs. Welk didactisch model wil je eigenlijk kiezen? Toch een lastige vraag, of niet soms? De informatie in jouw rugzak kan je nu goed van pas komen. Je weet tenslotte al vrij veel over hoe het nu is en waar je naar toe moet. De toekomst van de student, het beroep waar hij of zij voor opgeleid wordt, zegt namelijk ook veel over de manier waarop je het beste opgeleid kunt worden. Is het beroep erg complex, of vooral taakgericht? Werk je veel samen, of juist erg alleen? Maak je veel gebruik van digitale hulpmiddelen of juist niet? Allemaal informatie die je helpt de ingrediënten van jouw visie op onderwijs te bepalen. Uit diverse onderzoeken is namelijk gebleken dat studenten beter leren als zij tijdens hun studie de context van het beroep ook echt kunnen ervaren. Het is voor de studenten vaak het antwoord op de vraag: “Waarom moet ik dit leren?”

 

Als je weet hoe je het onderwijs wilt aanbieden, kun je gaan nadenken over de wijze waarop je wilt toetsen. Hoe volg je de ontwikkeling van de student en hoe weet je of de student uiteindelijk zijn of haar diploma mag halen? Een ongelofelijk interessant thema, waar veel over gezegd en geschreven wordt. In het curriculumontwerp richt je je vooral op de wijze waarop je wilt toetsen. Sluit dit aan bij de wijze waarop je het onderwijs wilt gaan verzorgen? Is de wijze van toetsing congruent aan de visie op onderwijs? Je krijgt als docent het studiegedrag van studenten dat je met jouw toetsing verdient. Vraag je alleen kennisreproductie of juist toepassing van deze kennis? Laat je de studenten werken aan het geven van de juiste antwoorden, of daag je ze uit om hun eigen oplossing te vinden en te verdedigen? Belangrijke keuzes die het studiegedrag van studenten echt zullen beïnvloeden.

 

Inmiddels is jouw rugzak gevuld met diverse zaken. Eigenlijk ontbreekt voor het vernieuwen van het curriculum alleen nog de informatie over het begeleidingsmodel dat je wilt gaan toepassen. Nu je zoveel weet over jouw doelgroep, de studenten, het beroep waarvoor jouw studenten worden opgeleid, hoe je wilt opleiden en hoe je wilt toetsen, is het nog een kleine stap om dit laatste ingrediënt aan het curriculum toe te voegen. Het is haast vanzelfsprekend om in jouw keuze voor een begeleidingsmodel ook rekening te houden met het (studie)gedrag dat je bij de studenten wilt ontwikkelen. Wees dan ook alert dat de begeleiding van de studenten zich vooral richt op de studieloopbaanbegeleiding. Natuurlijk verdienen studenten ook persoonlijke begeleiding, maar let er op dat dit niet leidend wordt in de wijze waarop je studenten begeleid in hun studie. Studieloopbaanbegeleiding heeft een blik naar voren, werkt naar een doel in de toekomst: het beroep waar de student voor opgeleid wordt.

 

Je hebt nu alle uitgangspunten voor de volgende fase van het vernieuwen van het curriculum vastgesteld. Je kunt nu door naar het daadwerkelijk vormgeven van het nieuwe curriculumontwerp. Zie de afbeelding hieronder.

In dit schema kun je zien welke stappen er volgen als je het curriculum ontworpen hebt.

161227blog-remko

Eindelijk is dan zo ver. Na maanden ontwikkelen komt jouw nieuwe onderwijs echt tot leven! Nu pas breekt de belangrijkste fase van het vernieuwen van een curriculum aan. Vooral omdat je door het uitvoeren van het onderwijsprogramma kunt gaan zien of alle keuzes die jullie gemaakt hebben, ook ècht tot het beoogde resultaat leiden. Daarom is het juist in deze fase zo belangrijk om jullie nieuwe onderwijs bewust te ervaren en regelmatig te reflecteren òf het gewenste resultaat behaald wordt. Juist deze stap ontbreekt nog wel eens!

Door hier regelmatig bij stil te staan, ben je in staat om tussentijds het onderwijs bij te sturen en te kijken waar je eventuele aanpassingen moet doen: in het onderwijsontwerp, in het curriculumontwerp of misschien wel in de gekozen visie. Je schaaft het onderwijs eigenlijk steeds verder aan. Doordat je dit bewust doet, blijven de verschillende elementen van jullie curriculumvernieuwing met elkaar in balans. Er ontstaat een levend curriculum!

 

Van wie is ons nieuwe curriculum? Van ons team…..!

Met elkaar ben je verantwoordelijk voor het verzorgen van goed en aantrekkelijk onderwijs voor jullie studenten en het werkveld waar je voor opleidt. Daarmee is het hele team dus eigenaar van het nieuwe curriculum.

Vaak zie je in teams dat slechts een kleine vertegenwoordiging van het team het nieuwe curriculum uitwerkt. Dit brengt het risico met zich mee dat niet iedereen zich betrokken voelt bij dit nieuwe curriculum. Aan de andere kant is het vaak ook niet werkbaar om steeds met iedereen te ontwikkelen. In het schema hierboven heb ik een aantal ontwikkelstappen weergegeven. Je kunt per stap variëren wie er uit het team betrokken worden. Vooral stap 2 verdient het om met zo veel mogelijk mensen uit te voeren. Dit zorgt in ieder geval voor een gezamenlijk vertrekpunt bij het ontwikkelen van jullie nieuwe curriculum en onderwijs.

Tijdens de uitvoering van het onderwijs – stap 5 – is vanzelfsprekend ieder teamlid betrokken. Door verschillende teamleden verantwoordelijk te maken voor ‘het bewaken’ van de diverse fases van de curriculumvernieuwing,

het onderwijsontwerp, het curriculumontwerp, de visie of de kaders, blijven zo veel mogelijk collega’s betrokken bij een goede uitvoering van het vernieuwde curriculum. Er ontstaat een netwerk van ‘kwaliteitsbewakers’ in het team. Onderwijskwaliteitsbewakers!