Selecteer een pagina
Activerende werkvormen uit de praktijk die werken (deel 1)

Activerende werkvormen uit de praktijk die werken (deel 1)

Wellicht herkenbaar voor een docent: studenten die niet betrokken zijn in je les. Hét middel om betrokken studenten te krijgen is activerende werkvormen. Dat lees je overal. Maar wat verstaan we nu precies onder activerende werkvormen? En wordt leren effectiever bij het gebruik van activerende werkvormen?

Activerend onderwijs gaat uit van de grondgedachte dat kennis beter beklijft wanneer studenten actief betrokken zijn bij het onderwijs. Het gaat er niet om dat je les ‘gezellig’ wordt, maar vooral een effectief leerrendement oplevert bij studenten. Op korte termijn vormen activerende werkvormen een interessante afwisseling en hou je de boel wakker, op lange termijn ondersteunen de werkvormen het nut van de lessen door de interesse voor de inhoud te prikkelen (Ebbens & Ettekoven, 2015). Het is belangrijk dat de activerende werkvorm past bij het doel wat je wilt bereiken bij je studenten. Dan heeft de activerende werkvorm het beste resultaat. Activerende werkvormen kunnen verschillende doelen hebben, zoals:

  • voorkennis activeren
  • aansluiten bij de urgentie (belevingswereld zie blog Peter.)
  • samenwerken
  • energie in je les terug krijgen (Energizer)
  • studenten actief houden tijdens presentaties van elkaar
  • je les evalueren
  • samenvatten en de kern uit de les te halen met en door je studenten
  • op actieve wijze de leerstof verwerken en/of toepassen

Uitgangspunt: iedereen is actief met als gevolg een groter leerrendement!

Volgens Ebbens en Ettekoven (2015) zijn activerende werkvormen effectief als ze de volgende elementen bevatten:

  • betekenis geven,
  • studenten moeten afhankelijk zijn van elkaar,
  • er moet sprake zijn van directe interactie,
  • en individuele aanspreekbaarheid op het resultaat.

Tijdens een training over een ‘verdieping op Pedagogiek en Didactiek’ die ik heb gegeven aan mbo- docenten, hebben docenten voorbeelden van activerende werkvormen ingebracht.  Deze komen voort uit de praktijk met als doel studenten betrokken te krijgen in je les. Zij hebben de activerende werkvormen uitgeprobeerd in de praktijk en willen dit graag met jou delen, omdat ze werken:

Plickers

Doel:

  • Voorkennis te activeren
  • Evalueren

Wat te doen:

  • De studenten krijgen een papier met daarop een figuur. Dit figuur kan gedraaid worden naar A, B, C of D.
  • Op de beamer komt een meerkeuzevraag te staan.
  • De studenten houden het papier met de letter van hun  keuze omhoog.
  • De docent scant met een smartphone de antwoorden en iedereen krijgt direct te zien of het antwoord juist is.

CSI

Doel:

  • Voorkennis activeren
  • Kennis verwerken
  • Aan te sluiten bij urgentie

Wat te doen:

  • Je maakt groepjes van bv. 4 studenten.
  • Op de tafels ligt een A2/ A3 vel met daarop de omtrek van een lichaam en er zijn stiften(iedere student in de groep heeft een eigen kleur).
  • De studenten inventariseren eerst bv. over welke competenties en sociale vaardigheden je al op stage beschikt, deze worden IN het lichaam geschreven.
  • Daarna buiten het lichaam de sociale vaardigheden en competenties die je nog niet eigen hebt gemaakt.
  • Vervolgens wordt er doorgeschoven per groep en worden er voorbeelden uit de praktijk erbij geschreven door andere studenten bij de begrippen buiten het lichaam.

De Lijn

Doel:

  • Kennis verwerken
  • Evaluatie
  • Energizer
  • Samenwerken centraal

Wat te doen:

  • De docent geeft aan alle studenten een kaartje, met daarop specifiek een onderdeel of handeling van bepaalde theorie.
  • De studenten vormen een fysieke lijn, waarbij de verschillende onderdelen van de theorie chronologisch worden geordend.

Nieuwsgierig naar de andere activerende werkvormen? Goed nieuws: houd onze wekelijkse blog in de gaten, want er komen snel weer nieuwe activerende werkvormen uit de praktijk die werken. Maak jij gebruik van bijzondere activerende werkvormen die voldoen aan de bovenstaande elementen in het mbo of hbo? Reageer dan hieronder met jouw tips!

Bronnen:
Ebbens, S., & Ettekoven, S. (2015). Effectief leren basisboek. Groningen: Noordhoff Uitgevers bv.

Freemann, S., Eddy  S., McDonough M., Smith M., Okoroafor N., Jordt H., & Wenderoth, M. (2014). Active learning increases student performance in science, engineering, and mathematics. PNAS. http://www.pnas.org/content/111/23/8410.full.pdf+html

Claudia de Groot

Claudia de Groot

Auteur

claudia@oabdekkers.nl

Schrijf je in voor onze wekelijkse blog

Heb jij recht van spreken?

Donderdag 21 juni 2018 was mij de eer om aanwezig te kunnen zijn bij de 1000e lezing van Marcel van Herpen, waarin hij zijn nieuwste boek ‘Wij zijn Leiders’* presenteerde. Een boek met inzichten voor leiders, leraren, MBO en HBO studenten, geïllustreerd met fragmenten...

Lees meer

Waarom willen studenten passief onderwijs (deel 2)

  Bovenaan het verlanglijstje van veel opleidingsteams staat de wens voor ‘proactieve studenten’. Studenten die ondernemend zijn en zelf initiatief nemen. Maar wat zie je veelal in de praktijk als je onderwijs geeft dat dit leergedrag moet stimuleren? Studenten die in...

Lees meer

Onderwijskundig leiderschap, ….. ehhh …..

  Een aantal weken geleden hebben wij met een aantal collega’s van onderwijsadviesbureau Dekkers een masterclass gehouden over leiderschap in het beroepsonderwijs. Samen met collega’s van diverse scholen uit het land hebben we nagedacht over wat dit nu eigenlijk is:...

Lees meer

Hé jullie daar, hokjesdenkers!

Hé jullie daar, hokjesdenkers!

8 mythes over leren en onderwijs

Wij mensen houden niet van onzekerheid, we geloven te graag. Ook als het over onderwijs gaat, gelooft iedereen maar al te graag. Stel dat er morgen een nieuwe onlinetool uitkomt, gaat deze viraal en iedereen deelt hem via Snapchat, Instagram, LinkedIn. En vervolgens komen de onderwijsblogs tevoorschijn met ‘10 manieren om dit (nieuwe onlinetool) in de klas te gebruiken’ of ‘met deze onlinetool zal het onderwijs veranderen’. Elke nieuwe tool lijkt dan een mogelijke oplossing, al weten we soms niet wat het probleem nu werkelijk is, maar we geloven het.


Deze blog heeft als bedoeling om inzicht te geven rondom mythes van onderwijstheorieën en is dus interessant voor iedereen die betrokken is bij het onderwijs.


Op donderdag 23 november komt Pedro de Bruyckere een interactieve lezing verzorgen tijdens het HIT EVENT. Om alvast een voorproefje te geven, beschrijf ik acht mythes uit zijn boek ‘Jongens zijn slimmer dan meisjes’ (2017) gekoppeld aan de acht bouwstenen van High Impact Teaching, zie hiervoor ook Peter’s blog.

 

bouwstenen8 mythes (Bruyckere, 2017)

  1. Bouwsteen Urgentie; ‘Leren door zelf te ontdekken is beter dan uitleg krijgen’ Je hebt absolute voorstanders van ontdekkend leren en je hebt onderzoekers die het een mythe noemen. Beiden hebben gelijk. Puur ontdekkend leren werkt niet, maar met de juiste ondersteuning kan deze vorm van leren effectief zijn. Hoe minder ervaring de student heeft, hoe belangrijker de ondersteuning en begeleiding zijn, zo belangrijk dat ontdekkend leren eigenlijk goed casusgebaseerd onderwijs wordt.
  2. Bouwsteen Directe Instructie; Als je alles kunt opzoeken, is kennis onbelangrijk’ We leven in een kennismaatschappij waarin iedereen alle kennis binnen handbereik heeft, je smartphone in je broekzak kan bijna elke vraag beantwoorden. Maar de bekwaamheid en de mogelijkheid om informatie op die manier op te zoeken is zonder twijfel belangrijk! Onze voorkennis en ervaringen bepalen ook hoe goed we de informatie die beschikbaar is op het internet kunnen opzoeken/ vinden, selecteren en verwerken. Onderzoek wijst uit dat weinig voorkennis het zoekproces negatief beïnvloedt (Nievenstein, van Gog, Boshuizen & Prins, 2008).
  3. Bouwsteen Betrokkenheid; ‘Internet hoort in de klas, want het sluit aan bij de belevingswereld van je student’ Het klinkt erg eenvoudig, maar het belangrijkste is dat leerlingen een meerwaarde voor het leren ervaren (dat de leerervaring efficiënter, effectiever en aangenamer wordt), anders haken ze af. Los daarvan mag onderwijs natuurlijk niet wereldvreemd zijn.
  4. Bouwsteen Feedback; ‘Mensen hebben verschillende leerstijlen’ Moet je je feedback aanpassen aan de leerstijlen van je studenten? Nee, er is nauwelijks wetenschappelijk bewijs voor de verschillende indelingen en geen bewijs voor hun meerwaarde in de klas.
  5. Bouwsteen Herhaling en verschillende contexten; ‘Het geheugen slaat heel precies op wat we ervaren’ Vertrouw je herinneringen niet, ze zijn nooit 100% correct. Er is sprake van selectie en vervorming. Het is belangrijk dat te beseffen als docent.
  6. Bouwsteen Toepassen door problemen op te lossen; Je leert effectief via probleemgestuurd onderwijs (PGO)’ PGO gebruiken om nieuwe inhouden aan te leren heeft geen positief leereffect. Er is wel een positief leereffect als je PGO gebruikt om iets dat de lerende al kent beter te verkennen en te onthouden. Een effectieve afnemende beleidsstrategie is bv. de completeerstrategie (studenten bestuderen uitgewerkte voorbeelden, vullen steeds meer zelf in) en conventionele problemen (studenten lossen zelfstandig conventionele problemen op) Renkl en Atikinson (2003).
  7. Bouwsteen Succeservaring en zelfvertrouwen opbouwen; ‘In onderwijs moet je met meer soorten intelligentie rekening houden’ Studenten worden dus aangemoedigd om zichzelf zo te zien, met aangeboren sterktes in bepaalde gebieden. Maar er zijn volgens White (2005) betere manieren om het zelfvertrouwen te versterken i.p.v. kijken naar iemands intelligentie in al die hokjes.
  8. Bouwsteen Samenwerken; ‘Je leert 70% informeel, 20% van anderen en 10% via informeel onderwijs’ Informeel leren is zeker belangrijk, maar in wetenschappelijke literatuur vonden we geen bewijzen voor deze verhoudingen. Aan de grondslag van deze vuistregel zien we een problematische veronderstelling, namelijk dat we het best leren door dingen zelf te ontdekken. Bij bouwsteen 7 ga ik daar verder op in.

Nieuwsgierig naar andere mythes en naar de leefwereld van jongeren met ontelbare praktijkvoorbeelden? Hierover vertelt Pedro de Bruyckere je al te graag meer over tijdens het HIT EVENT op 23 november: www.highimpactteaching.nl

 

Bronnen:

Bruyckere, P., Kirschner, P. & Hulshof, C. (2017). Jongens zijn slimmer dan meisjes. 35 mythes over leren en onderwijs. Culemborg: Lannoo

 

Nievelstein, F., van Gog, T., Boshuizen, H., & Prins, J. (2008). Expertise- related differences in conceptual and ontological knowledge in the legal domain. European Journal of Cognitive Psychology, 20, 1043- 1064.

 

Renkl, A., & Atkinson, R.K. (2003). Structuring the transition from example study to problem solving in cognitive skill acquisition: A cognitive load perspective. Educational Psychologist, 38, 15-22.

 

White, J. (2005). Howard Gardner: The myth of multiple intelligences London: Institute of Education Viewpoint NO 16.

Vragen uit de praktijk: mbo docenten over Flipping the Classroom

Vragen uit de praktijk: mbo docenten over Flipping the Classroom

Veel docenten stellen goede, maar veel voorkomende vragen tijdens trainingen van Flipping the Classroom. Deze vragen hebben betrekking op de praktijk, ofwel de studenten. Ik geeft in een korte video antwoord op die vragen. Ik ben benieuwd of jij deze vragen herkent en welke ervaringen jij hebt met instructievideo’s/ Flipping the Classroom, dus laat een reactie achter!

 

 

[arve url=”https://www.youtube.com/embed/dsRcpc0IvBU?ecver=1″ align=”center” promote_link=”no” thumbnail=”95656″ title=”Vragen over Flipping the Classroom” maxwidth=”853″ /]


 

Wat is Flipping the Classroom?

Wat is Flipping the Classroom?

De kerngedachte van de flipping the classroom is: hoe kan ik de tijd in de klas/collegezaal het beste benutten? Wat we nu doen in de klas/collegezaal (het geven van uitgebreide uitleg) werkt niet voor iedere student. Wat kunnen we anders doen? Technologische ontwikkelingen -zoals online video- maken het opnemen en ontsluiten van instructies mogelijk, kritiek op de traditionele manier van hoorcolleges bevordert de ontwikkeling van dit didactisch alternatief. Bij Flipping the Classroom bestuderen de studenten de instructie van de docent in eigen tijd, en wordt de tijd in de klas gebruikt voor discussies, het beantwoorden van vragen, voor verdieping en verwerkingsopdrachten. Je kunt studenten bijvoorbeeld ook zelf presentaties laten verzorgen. Het is geen doel maar een middel om aan te sluiten bij het onderwijsmodel van jullie school. De rol van jou als docent verandert dan ook naar coach/ begeleider.

 

Meer interesse?

Om de voor- en nadelen en de vraag hoe je zelf flipping the classroom kan toepassen raad ik aan om het e-book dat we eerder maakte over flipping the classroom te downloaden.
  

 

Werken met tablets? Lees dan eerst dit!

Werken met tablets? Lees dan eerst dit!

De belangrijkste wetenschappelijke feiten over instructie bij het gebruik van tablets!

 

Zoals jullie in mijn vorige blog hebben kunnen zien in een video over het directe instructiemodel, blijkt dit model een effectieve instructiestrategie voor docenten te zijn. Om extra theoretische verdieping en inzicht te krijgen in het directe instructiemodel, is onderzoek nodig. Het afgelopen jaar heb ik wetenschappelijk onderzoek gedaan vanuit de Radboud Universiteit naar het directe instructiemodel tijdens het werken met een onderwijstechnologie (tablet)*. Uit gesprekken en interesses van docenten en eerder onderzoek ben ik tot de volgende hoofdvraag gekomen:

 

hoofdvraag

Op steeds meer scholen wordt gewerkt met onderwijstechnologieën om het onderwijs te optimaliseren en beter aan te laten sluiten bij de individuele verschillen en behoeften van studenten. Uit het onderzoek van Koehler en Mishra (2005), is gebleken dat het voor docenten niet eenvoudig is om technologieën zo in te zetten dat er daadwerkelijk veranderingen optreden in de wijze waarop onderwijs wordt gegeven. Vaak worden onderwijstechnologieën ingezet om bestaande middelen te vervangen maar zonder een daadwerkelijke verandering in de onderwijspraktijk te bewerkstelligen (Hassler, Major en Hennessy, 2015).

 

wetenschappelijkEen mogelijke manier om te komen bij deze pedagogisch didactische veranderingen is het werken met een adaptieve onderwijstechnologie. Een adaptieve onderwijstechnologie wordt omschreven als een instrument dat een leerkracht ondersteunt bij het vormgeven van onderwijs, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele verschillen en behoeften van leerlingen (Molenaar, Van Schaik & Denessen, 2015). Met een adaptieve onderwijstechnologie ontstaat er veel data over studenten. Daardoor kunnen docenten het onderwijs op de verschillen en leerbehoeften van studenten aanpassen. Hierdoor kunnen er mogelijke veranderingen optreden in het pedagogisch didactisch handelen, bijvoorbeeld instructiestrategieën (het directe instructiemodel) van docenten.

 

Mijn onderzoek biedt op basis van de onderzochte observaties inzicht in de effecten van het werken met een adaptieve onderwijstechnologie op het pedagogisch didactisch handelen van docenten, gericht op het directe instructiemodel. In het onderzoek zijn er, wetenschappelijk benoemd, meerdere statistische significante verschillen gevonden in het pedagogisch didactisch handelen van docenten. Om je vele wetenschappelijke theorieën te besparen geef ik in de onderstaande tabel kort maar krachtig de bevindingen weer:

 

schema Claudia2

 

 

Figuur 1 blog 2-5

Figuur 1. Gemiddelde lestijd, De Groot (2017).

Note. Experimentele groep= docenten die werken met adaptieve onderwijstechnologie Contolegroep= docenten die niet werken met een adaptieve onderwijstechnologie

 

 

Wil je meer weten over de resultaten van mijn onderzoek (De Groot, 2017), laat gerust een bericht achter of mail naar: cdgroot@oabdekkers.nl (ma t/m vr beschikbaar).

Trainingen die ik verzorg zijn gericht op het pedagogisch didactisch handelen van docenten, gericht op mbo en hbo. Ook interesse in het werken met het directe instructiemodel met of zonder technologieën? Wellicht is het interessant om een extra verdieping te krijgen in de vorm van trainingen.

 

 

* Het onderzoek is op basis van observaties tijdens reken- en spellingslessen bij 42 docenten in het basisonderwijs onderzocht. In mijn trainingen geef ik de vertaalslag voor het mbo/ hbo.

 

 

Referenties:

Groot, C., de. (2017). Het directe instructiemodel en het werken met een adaptieve
onderwijstechnologie.
Masterscriptie: Onderwijswetenschappen, Faculteit Sociale
Wetenschappen, Radboud Universiteit, Nijmegen.

 

Hassler, B., Major, L., & Hennessy, S. (2015). Tablet use in schools: a critical review of the
evidence for learning outcomes. Journal of Computer Assisted Learning, 32, 139- 156.

 

Koehler, M., & Mishra, P. (2005). What happens when teachers design educational
technology? The development of technological pedagogical content
knowledge. Journal Educational Computing Research, 32(2), 131-152.

 

Molenaar, I., Schaik, A. van. & Denessen, E. (2015). Onderwijs optimalisatie met de tablet:
van het boek achter glas tot gepersonaliseerd leren.
 Nijmegen: Behavioral Science
Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

 

 

directe-instuctiemodel